Conclusie
1.Feiten
1. Vooraf
Betreft: Migratie GK Kassensoftware Lidl
roll outcontract is nooit gesloten. Ook de in de mantelovereenkomst genoemde SLA (
service level agreement) is nooit door partijen getekend.
Onderwerp: Klus
swap dienstenten behoeve van AS Watson:
Onderwerp: IKEA prijzen:
Het procesverloop
general managerbij FDS) als getuigen gehoord. Op 31 januari 2013 is aan de zijde van FDS mr. H.J.W. Alt gehoord. Op diezelfde dag zijn aan de zijde van Wincor Nixdorf [betrokkene 6] (
accountmanagerWincor Nixdorf) en [betrokkene 4] (destijds
businessunitcontrollerbij Wincor Nixdorf) als getuigen gehoord.
Uurtarief.Naar het oordeel van het hof heeft FDS in de gegeven omstandigheden de aanbiedingsbepaling redelijkerwijs niet zo mogen opvatten dat op Wincor Nixdorf de verplichting kwam te rusten dat zij voor een bedrag van € 500.000,-- per jaar aan additionele werkzaamheden had moeten aanbieden met inachtneming van een door FDS te hanteren minimum uurtarief van € 58,65 (rov. 7.-15.).
Werkzaamheden voor Lidl.De migratieprojecten 2008 en 2010 ten behoeve van Lidl gelden niet als additionele werkzaamheden in de zin van de aanbiedingsbepaling (rov. 16.-26.).
Toerekenbare tekortkoming.Het hof heeft tot slot de afzonderlijke projecten beoordeeld. Het hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de stelplicht en bewijslast van de tekortkoming op FDS rusten (rov. 29.). Naar de vaststelling van het hof heeft Wincor Nixdorf over de betreffende periode van drie jaar omzet voor in totaal € 1.415.626,97 aangeboden (rov. 27.-52.). Het hof is van oordeel dat Wincor Nixdorf daarmee de aanbiedingsverplichting niet volledig is nagekomen en dus toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen (rov. 52.).
‘zware onderhandelingen zijn gepleegd’om op een bedrag van € 500.000,- te komen en [betrokkene 3] geeft daarbij heel uitdrukkelijk aan niet te kunnen instemmen met dit bedrag als een streefgetal (zie ook de e-mail wisseling hiervoor weergegeven bij 2.l en 2.m [weergegeven in randnummers 1.13 en 1.14 van deze conclusie, A-G]). Bij die onderhandelingen heeft FDS, voor wie het naar haar eigen stellingen in deze procedure essentieel was dat voor ten minste € 58,60 per uur gewerkt zou kunnen worden, deskundige bijstand gehad van haar advocaat (zoals onder meer blijkt uit de getuigenverklaring van [betrokkene 3] van FDS). Tegen die achtergrond en met inachtneming van de e-mailwisseling [van] 18 juni 2008 zou het wel zeer voor de hand hebben gelegen dat, als het de bedoeling was om als onderdeel van de aanbiedingsbepaling een minimum tarief overeen te komen, er aan de overeenkomst voorafgaande verklaringen van partijen zouden zijn die daarop duiden. Die ontbreken, evenals (andere) verklaringen of gedragingen van Wincor Nixdorf op grond waarvan FDS redelijkerwijs mocht verwachten dat Wincor Nixdorf met een aanbiedingsplicht tegen een minimum tarief akkoord ging. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft FDS nog aangevoerd dat aanwijzingen die dateren van na de totstandkoming van de overeenkomst (meer in het bijzonder de wijze waarop partijen aan de overeenkomst invulling geven) mee kunnen wegen bij de beantwoording van de vraag wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan. Dit standpunt is op zich juist maar welke feiten en omstandigheden FDS hierbij concreet op het oog heeft, behoudens de hierna te bespreken e-mails die dateren van na de totstandkoming van de mantelovereenkomst, zijn door haar niet genoemd. De correspondentie tussen Wincor Nixdorf en FDS na de totstandkoming van de mantelovereenkomst wijst er in ieder geval niet op dat een minimum tarief is overeengekomen maar eerder op het tegendeel, zoals blijkt uit de correspondentie genoemd onder 2.q en 2.r [weergegeven in randnummers 1.18 en 1.19 van deze conclusie, A-G].
swapmoederborden t.b.v. Aldi ad € 5.000,-- (rov. 32.-35.), (4) installatie PIN-terminals t.b.v. Aldi ad € 110.216,08 (rov. 36.-38.), (5)
roll outt.b.v. KPN ad € 199.750,44 (rov. 39.-41.), (6)
swapdiensten t.b.v. AS Watson ad € 923.854,37 (rov. 42.-46.), (7) inventarisatie Ikea stores t.b.v IKEA ad € 3.850,-- (rov. 47.) en (8) IMAC diensten t.b.v. AS Watson ad € 75.078,06 (rov. 48.-51.). Aldus heeft Wincor Nixdorf naar het oordeel van het hof over de betreffende periode van drie jaar voor een bedrag van € 1.415.626,97 aan omzet aangeboden. Tegen de overwegingen over de hiervoor onder (1), (2) en (8) genoemde (aan FDS aange-boden) additionele werkzaamheden zijn geen afzonderlijke cassatieklachten gericht. Op de overwegingen over de andere (aangeboden) projecten zal – voor zover van belang – bij de bespreking van de klachten worden ingegaan.
3.Bespreking van de cassatieklachten
eerste onderdeel(2.1) bestaat uit vijf subonderdelen (aangeduid als 2.1.A tot en met 2.1.E). Subonderdeel 2.1.B valt uiteen in vier sub-subonderdelen en subonderdelen 2.1.C en 2.1.D ieder in drie sub-subonderdelen. Het
tweede onderdeel(2.2) valt niet in aparte subonderdelen uiteen. Het
derde onderdeelbevat zeven subonderdelen (genummerd 2.3.1 tot en met 2.3.7). Het
vierde onderdeel(2.4) bevat alleen een voortbouwende klacht.
eerste onderdeel(2.1.A-2.1.E) richt zich tegen het oordeel dat FDS de aanbiedingsbepaling niet aldus heeft mogen opvatten dat op Wincor Nixdorf de verplichting kwam te rusten dat zij voor een bedrag van € 500.000,-- per jaar aan additionele werkzaamheden had moeten aanbieden met inachtneming van een door FDS te hanteren minimum uurtarief van € 58,65. Het onderdeel betoogt in de kern dat het hof de Haviltex-maatstaf zou hebben miskend en voorbij zou zijn gegaan aan diverse (als essentieel aan te merken) stellingen.
beslissend gewicht.Het hof heeft dan ook terecht en onbestreden toepassing gegeven aan de Haviltex-maatstaf.
subonderdeel 2.1.Alijkt te veronderstellen – terecht in zijn beoordeling betrokken. Ook voor zover wordt betoogd dat het hof niet had mogen
inzoomenop de redelijke verwachtingen van FDS, faalt de klacht. Bij de uitleg van een overeenkomst kan betekenis toekomen aan de wijze waarop één van de partijen een verklaring van de ander redelijkerwijs heeft kunnen of mogen opvatten (vergelijk ook in dat verband art. 3:35 BW Pro). [16] Voor zover de klacht bepleit dat het hof ten onrechte uitsluitend belang heeft gehecht aan de redelijke verwachtingen van FDS, berust de klacht op een te beperkte lezing van het arrest. Het hof heeft in rov. 9. terecht en onbestreden vooropgesteld dat het bij de uitleg van de aanbiedingsbepaling aankomt op de zin die Wincor Nixdorf en FDS in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze op Wincor Nixdorf rustende verplichting mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In rov. 10.-14. heeft het hof toepassing gegeven aan deze norm. Het hof heeft er blijk van gegeven mede te hebben onderzocht wat Wincor Nixdorf redelijkerwijs mocht begrijpen en verwachten. Het hof overweegt in rov. 11.:
“(…) De door FDS aangevoerde omstandigheid dat de aanbiedingsbepaling in de mantelovereenkomst was opgenomen ter compensatie van de terugval in het uurtarief dat FDS voor Lidl-werkzaamheden zou ontvangen, betekent nog niet dat FDS redelijkerwijs mocht verwachten, en dat Wincor Nixdorf redelijkerwijs moest begrijpen dat de afspraak inhield dat Wincor Nixdorf de extra werkzaamheden tegen minimaal het Lidl-tarief aan zou moeten bieden.”Verder overweegt het hof in rov. 13. dat de verklaring van [betrokkene 1]
“(…) onvoldoende concrete aanknopingspunten biedt om te oordelen dat Wincor Nixdorf en FDS de aanbiedingsbepaling over en weer redelijkerwijs zo moesten begrijpen dat een minimum uurtarief gelijk aan het Lidl-tarief gold en dat zij dat redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”Subonderdeel 2.1.Afaalt dus.
subonderdeel 2.1.Bzou het hof bij de uitleg van de aanbiedingsbepaling voorbij zijn gegaan aan onderdelen van de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] en verschillende hierover door FDS ingenomen (essentiële) stellingen. Het subonderdeel valt uiteen in vijf sub-subonderdelen.
Sub-subonderdeel 2.1.B-Iverwijst voor de vindplaatsen naar de inleiding van
onderdeel 2.1.B. Daar wordt verwezen naar randnummers 1.6, 1.7 en I.22 van de memorie van grieven.
general managerbij FDS) heeft in het geciteerde gedeelte van zijn verklaring aangegeven dat hij met Thorsten Janssen (blijkens de verklaring eveneens werkzaam bij FDS) een berekening van de kosten heeft gemaakt, dat die berekening uitkwam op circa € 50,-- per uur, dat [betrokkene 3] die berekening heeft besproken met de accountant en dat de accountant uitkwam op een hoger bedrag. Uit deze verklaring blijkt dus niets over bekendheid van Wincor Nixdorf met de kostprijs. [betrokkene 3] heeft onder meer verklaard dat hij aan Wincor Nixdorf heeft gemeld dat de kostprijs € 52,50 per uur bedroeg. Volgens de eigen verklaring van [betrokkene 3] kwam Wincor Nixdorf zelf ook op een dergelijk bedrag uit, maar was Wincor Nixdorf van mening dat FDS tegen een lager tarief moest kunnen werken, omdat haar salarissen en voorzieningen lager waren. Uit de verklaring kan dus ook niet worden opgemaakt dat partijen het erover eens zouden zijn dat een uurtarief van € 58,65 ‘rond de prijs was die een monteur minimaal diende op te brengen om uit de kosten te komen’.
sub-subonderdeel 2.1.B-Igeklaagd over het passeren van het bewijsaanbod in randnummer IV.7 van de memorie van grieven. Dat bewijs-aanbod luidt als volgt:
“WN heeft FDS inderdaad benaderd inzake KPN en Aldi. Daar ging het [om] bedragen welke inzake KPN en Aldi neer kwam[en] op rondde 30 euro per uuren dusonder kostprijs. FDS biedt hiervan uitdrukkelijk getuigenbewijs aan door middel van het horen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] alsook de betrokken medewerkers van KPN”.Ook deze klacht treft geen doel. Uit de te bewijzen aangeboden stelling volgt niet dat Wincor Nixdorf bij het sluiten van de overeenkomst ervan op de hoogte was dat FDS slechts bij een uurtarief van € 58,65 kostendekkend kon draaien. Het bewijsaanbod heeft immers geen betrekking op hetgeen Wincor Nixdorf over de kostprijs wist.
– anders dan het sub-subonderdeel verdedigt – niet uitsluitend om wat Wincor Nixdorf (respectievelijk Lidl) aan FDS bereid is te betalen, maar ook welk uurtarief bij andere (potentiële) opdrachtgevers kan worden uitonderhandeld.
sub-subonderdeel 2.1.B-IIItot uitgangspunt dat de partijen bij het sluiten van de overeenkomst bekend waren met de kostprijs en dat de afspraken in dat licht zijn gemaakt. Dat uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan de klachten van
sub-subonderdeel 2.1.B-IVdie zich richten tegen de waardering van de verklaringen van getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] in rov. 12. en 13. Die klachten falen op de hiervoor in randnummer 3.13 genoemde gronden. Overigens berust
sub-subonderdeel 2.1.B-IVop een verkeerde lezing van de gedingstukken (in het bijzonder de verklaring van [betrokkene 1]) voor zover daaraan ten grondslag ligt dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat er geen rekening mee werd gehouden dat Wincor Nixdorf met andere opdrachtgevers andere tarieven afspreekt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat
hijer geen rekening mee heeft gehouden dat Wincor Nixdorf in de relatie met andere opdrachtgevers andere tarieven zou hanteren en dat
hijdaar ook niet op is gewezen (rov. 13.).
‘zware onderhandelingen zijn gepleegd’om op een bedrag van € 500.000,-- te komen en dat [betrokkene 3] daarbij nadrukkelijk heeft aangegeven niet te kunnen instemmen met dit bedrag als een streefgetal.
“6.1 Anders dan Wincor wil doen voorkomen is het niet alleen en niet overwegend mr. Alt die de overeenkomst heeft opgesteld. Uit de mailwisseling (overgelegd als productie 9, 10, 16 en 17 met de brief van 15 november 2011, bijlage 16 bij de akte van 21 maart 2012) blijkt dat het ook Wincor is die bepalingen rigoureus schrapt en bewoordingen aanpast.”Deze klacht kan – wat daar ook verder van zij – niet tot cassatie leiden. Het hof heeft niet aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat de mantelovereenkomst is opgesteld door mr. Alt. Deze overweging staat tussen gedachtestreepjes en is (aldus) ten overvloede gegeven. [21] Het hof heeft wel van belang geacht dat FDS deskundige bijstand heeft gehad van mr. Alt. Het hof heeft die vaststelling in rov. 10. gegrond op de getuigenverklaring van [betrokkene 3] van FDS. Deze vaststelling is in cassatie onbestreden gebleven.
sub-subonderdeel 2.1.C-IIIis onjuist en onbegrijpelijk dat het hof de term ‘zware onderhandelingen’ in rov. 10. betrekt op de bepaling zelf, terwijl die – evident – zien op de totstandkoming van de afspraak, waarvan de bewuste bepaling een vastlegging is. Verder is ‘zware onderhandeling’ volgens FDS geen rechtens relevante factor bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf.
“10. (…) Naast deze hoofdzakelijk taalkundige uitleg neemt het hof verder in aanmerking dat tussen partijen is onderhandeld over de tekst van de aanbiedingsbepaling. Uit de e-mail van [betrokkene 3] van 18 juni 2008 blijkt dat er daarbij‘zware onderhandelingen zijn gepleegd’[onderstreping toegevoegd, A-G] [22] om op een bedrag van € 500.000,- te komen en [betrokkene 3] geeft daarbij heel duidelijk aan niet te kunnen instemmen met dit bedrag als een streefgetal (…).”
entire agreement-clausule:
“(…) Welke betekenis aan een dergelijke clausule toekomt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden.”De term
‘zware onderhandelingen’heeft het hof ontleend aan de e-mail van [betrokkene 3] en is door het hof niet expliciet als factor gebruikt bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf. In zoverre berust de klacht dus op een verkeerde lezing van het arrest.
“De enkele (onuitgesproken) bedoeling van FDS is, gelet op alle omstandigheden van het geval, onvoldoende.”
“Tegen welk uurtarief moest deze € 500.000,- aan omzet worden gedraaid? Helaas mist ook de prijsbijlage zoals deze staat aangekondigd onder bullet point twee van pagina twee van de mantelovereenkomst.”Deze stelling is inderdaad betrokken in randnummer 12.1 van de pleitnota in appel. Aan die constatering worden in de pleitnota geen gevolgen verbonden. Het hof behoefde hierop dus niet in te gaan.
“Gezien deze context is de vraag: op grond waarvan had First Data moeten verwachten dat de additionele werkzaamheden ineens in afwijking van de overeenkomst voor een veel lager tarief moesten worden uitgevoerd?”en (2)
“De volgende vraag is dan: hoe laag mag dat uurtarief dan zijn? Is er door partijen een vrije val in uurtarief beoogd?”Deze passages komen inderdaad voor in randnummers 12.8-12.9 van de pleitnota in appel. In de hier bestreden rov. 9.-14. heeft het hof echter slechts geoordeeld dat voor de additionele werkzaamheden geen uurtarief van € 58,65 is afgesproken. Het hof behoefde de genoemde vervolgvragen dus niet te beantwoorden. Tot slot wordt gewezen op het betoog dat ‘elke logica in het hanteren van een lager uurtarief ontbreekt en lijnrecht ingaat tegen hetgeen partijen beogen: compensatie van het door First Data geleden omzetverlies als gevolg van een verlaagde urenprijs.’ Die stelling is terug te voeren op randnummer 12.11 van de pleitnota in appel. Ook aan de stelling over het beoogde doel van de aanbiedingsbepaling heeft het hof blijkens rov. 11. niet voorbijgezien. Het hof heeft dat betoog echter niet gegrond geacht, onder meer omdat niet is gesteld of gebleken dat Wincor Nixdorf ervan op de hoogte was dat FDS slechts kostendekkend kon draaien bij een uurtarief van € 58,65. Die overweging wordt vergeefs bestreden (hiervoor 3.13 en 3.15).
Sub-subonderdeel 2.1.Evoegt daaraan toe dat uit het arrest Lundiform/Mexx eveneens volgt dat, indien de letterlijke tekst van de overeenkomst wordt gevolgd, aan de partij die zich op een afwijkende betekenis van die bepaling of overeenkomst beroept, gelegenheid moet worden geboden tot het leveren van tegenbewijs. Ook deze klachten treffen geen doel. Voor de hier bedoelde (tegen-)bewijslevering is plaats indien feiten en omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, de verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen dragen. [24] In de onderhavige zaak is het hof tot het oordeel gekomen dat de stellingen die FDS in dit verband naar voren heeft gebracht niet tot de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen leiden. Het gestelde over de bedoeling van partijen heeft het hof in rov. 13. gewogen en te licht bevonden. Over de kostprijs heeft het hof in rov. 11. overwogen dat FDS niet heeft aangevoerd dat Wincor Nixdorf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ervan op de hoogte was dat FDS slechts kostendekkend kon draaien bij een uurtarief van minimaal € 58,65. De genoemde (te bewijzen aangeboden) stelling ten aanzien van de kostprijs heeft geen betrekking op hetgeen Wincor Nixdorf dienaangaande wist. Nu de door FDS betrokken stellingen naar ’s hofs oordeel niet tot een andere beoordeling leiden, is voor bewijslevering geen plaats.
onderdeel 1vergeefs zijn voorgesteld.
tweede onderdeel(2.2) komt op tegen de beoordeling in rov. 15. van het standpunt van FDS dat – als geconcludeerd wordt dat geen minimumuurtarief is overeengekomen – aansluiting moet worden gezocht bij het bepaalde in art. 7:405 lid 2 BW Pro inhoudende dat, wanneer de hoogte van het loon niet is bepaald, het gebruikelijke loon verschuldigd is en bij gebreke daarvan een redelijk loon.
subonderdeel 2.1.Baangevoerd is in het licht van de verklaring van [betrokkene 3], heeft gesteld en onderbouwd dat partijen een berekening hebben gemaakt van wat een monteur minimaal moest kosten en vervolgens een uurtarief van € 58,60 per uur hebben vastgesteld. Verder zou het hof hebben miskend dat, waar partijen voor soortgelijke werkzaamheden reeds een uurtarief van € 58,60 hebben afgesproken, dat bedrag als ‘redelijk loon’ moet worden aangemerkt. Tegen die achtergrond zou volgens FDS onjuist of onbegrijpelijk zijn om te oordelen dat in die omstandigheden voor het bepalen van een redelijk loon moet worden aangesloten bij wat in de branche gebruikelijk zou zijn en niet wat partijen overigens hebben afgesproken.
Indien loon is verschuldigd doch de hoogte niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd. In deze zaak gaat het om de stelplicht met betrekking tot het gebruikelijke en het redelijke loon. Daarover had Uw Raad eerder te beslissen in de zaak 3Span/Recreatiebeheer. Uw Raad oordeelde in die zaak kort gezegd (i) dat voor de vaststelling van het gebruikelijke loon voldoende aanknopingspunten dienen te bestaan, [25] (ii) dat bij het ontbreken van zodanige aanknopingspunten door de rechter aan de hand van de beschikbare gegevens een redelijk loon wordt vastgesteld en (iii) dat geen hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht omtrent het redelijk loon en aan de motivering door de rechter van zijn oordeel daaromtrent. [26]
tweede onderdeelniet opgekomen. Het
derde onderdeelricht zich tegen die overwegingen.
tweede onderdeelbevat ten slotte de voortbouwende klacht dat het slagen van één of meer klachten van het eerste en/of het tweede onderdeel ook de rov. 34.-46., 52.-55. en het dictum vitieert. Deze klacht heeft geen zelfstandige betekenis, deelt het lot van de genoemde onderdelen en faalt derhalve ook.
tweede onderdeelgeen doel treft.
derde onderdeel(2.3.1-2.3.7) komt op tegen de in rov. 33.-51. gegeven beoordeling van de individuele aangeboden projecten en tegen de conclusie die het hof daaraan in rov. 52. heeft verbonden. Het onderdeel betoogt in de kern het volgende. Het hof zou hebben miskend dat het moet gaan om daadwerkelijk door Wincor Nixdorf aan FDS aangeboden opdrachten, voor de prijs die aan FDS kenbaar was gemaakt, en niet om hetgeen Wincor Nixdorf nadien stelt daaromtrent aan derden te hebben betaald. Bovendien zou het hof hebben miskend dat het verder dient te gaan om aanbiedingen die daadwerkelijk konden worden aanvaard. FDS heeft dit betoog in zeven subonderdelen uitgewerkt.
PIN-terminals t.b.v. Aldiadditionele werkzaamheden heeft aangeboden ter waarde van € 110.216,08.
€ 53.000,-- ging en uit de door Wincor Nixdorf overgelegde stukken blijkt volgens FDS niet dat zij Concise uiteindelijk een bedrag van € 110.216,08 in verband met dit Aldi project heeft betaald.
€ 110.216,08.”
Subonderdeel 2.3.1betoogt – in aanvulling op de hiervoor weergegeven klacht – dat het hof niet heeft mogen vaststellen dat additionele omzet ter waarde van € 110.216,08 is aangeboden, omdat onduidelijk is of deze omzet is behaald met het aangeboden project.
Subonderdeel 2.3.2voegt daaraan toe dat het op de weg van Wincor Nixdorf lag te bewijzen dat de additionele omzet daadwerkelijk verband hield met het aangeboden project. Naar mijn mening falen deze klachten om de navolgende reden. De partij die op grond van art. 6:74 BW Pro aanspraak maakt op schadevergoeding draagt de stelplicht en bewijslast van de tekortkoming in de nakoming van de verbintenis. [30] In deze zaak vordert FDS schadevergoeding vanwege een tekortkoming van Wincor Nixdorf in de nakoming van de aanbiedingsbepaling. De stelplicht en bewijslast van de tekortkoming rusten aldus op FDS. FDS mocht in dat kader dus niet zonder meer volstaan met de algemene stelling dat onduidelijk is of de behaalde omzet verband hield met het aangeboden project
PIN-terminals t.b.v. Aldi.
roll out t.b.v. KPNadditionele werkzaamheden heeft aangeboden ter waarde van € 199.750,44.
€ 199.750,44 was. Uit de aanbieding die aan haar was gedaan (productie 5 bij dagvaarding) blijkt volgens FDS dat het maar om ca. € 35.000,- zou gaan, en uit de door Wincor Nixdorf overgelegde stukken blijkt niet afdoende dat aan Network Team Leusden een bedrag van € 199.750,44 in verband met dit project is betaald.
€ 199.750,44.”
roll out t.b.v. KPNniet vastgesteld dat Wincor Nixdorf op enig moment aan FDS heeft bericht dat met het project een hogere omzet zou kunnen worden behaald. Het hof heeft ook niet vastgesteld dat FDS had moeten begrijpen dat het project een hogere (omzet)waarde vertegenwoordigde dan haar was meegedeeld. In dat licht is – op dezelfde gronden als gelden ten aanzien van het project
PIN-terminals t.b.v. Aldi(hiervóór randnummer 3.44) – zonder nadere motivering onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat Wincor Nixdorf aan FDS additionele werkzaamheden heeft aangeboden met een waarde van € 199.750,44.
subonderdeel 2.3.3dat het hof heeft miskend dat het op de weg van Wincor Nixdorf lag om te stellen en te bewijzen dat zij het meerdere (bedoeld is: het bedrag dat de geschatte projectwaarde te boven gaat) aan FDS heeft aangeboden. Op het punt van de stelplicht acht ik de klacht gegrond. FDS heeft onderbouwd gesteld dat Wincor Nixdorf bij het aanbieden van de werkzaamheden een geschatte waarde heeft genomen van € 125.000,--. Het ligt dan op de weg van Wincor Nixdorf te motiveren dat voor FDS kenbaar was dat de aangeboden werkzaamheden een hogere waarde vertegenwoordigden. Dit betekent echter niet dat ook de bewijslast op Wincor Nixdorf rust. FDS vordert in deze zaak immers schadevergoeding vanwege een tekortkoming van Wincor Nixdorf in de nakoming van de aanbiedingsbepaling. De bewijslast blijft derhalve op FDS rusten. Ik verwijs naar randnummer 3.46 hiervoor.
swap diensten t.b.v. AS Watsonadditionele werkzaamheden heeft aangeboden ter waarde van € 923.854,37.
€ 923.854,37.”
swap diensten t.b.v. AS Watson. Volgens FDS zou het op de weg van Wincor Nixdorf hebben gelegen om te bewijzen dat zij daadwerkelijk een panklaar project heeft aangeboden, maar dat FDS dit project zou hebben geweigerd. Het zou hier volgens FDS gaan om een zelfstandig verweer. In zoverre faalt de klacht. Van een zelfstandig verweer kan worden gesproken als de bewijslast ingevolge art. 150 Rv Pro rust op de partij die zich op het betreffende verweer beroept, omdat deze partij met dat verweer een zelfstandige rechtsregel inroept (zoals verjaring of eigen schuld). Daarvan is hier geen sprake. FDS vordert schadevergoeding op grond van art. 6:74 BW Pro. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat sprake zou zijn van een tekortkoming in de nakoming van de aanbiedingsplicht. Met de in het subonderdeel genoemde stellingen heeft Wincor Nixdorf hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen van Wincor Nixdorf behelzen geen beroep op een zelfstandige rechtsregel. Derhalve rusten de stelplicht en bewijslast, ook voor wat betreft de
swap diensten t.b.v. AS Watson, op FDS (vergelijk tevens hiervoor randnummer 3.46).
subonderdeel 2.3.4wordt vervolgens bepleit dat het hof ten onrechte voorbij zou zijn gegaan aan de te bewijzen aangeboden stelling van FDS (in randnummers IV.8 van de memorie van grieven en randnummer 14.13 van de pleitnota in hoger beroep) dat het aanbod voor de
swap dienstenonvoldoende concreet was om te aanvaarden. Voorts zou het hof hebben miskend dat uit de verklaring van [betrokkene 1] en de daarover betrokken stellingen in randnummer I.5 van de memorie van grieven volgt dat FDS, in het kader van schadebeperking, de werkzaamheden niet heeft afgehouden. [38] Bovendien zou het hof hebben miskend dat het hier naar zijn aard gaat om feiten en omstandigheden die tot het domein van Wincor Nixdorf horen. Wincor Nixdorf had daarom nader moeten adstrueren dat en waarom het hier gaat om werk-zaamheden die FDS had kunnen verrichten, die onder de aanbiedingsbepaling vallen en die FDS thans niet, en Wincor Nixdorf zelf wel, heeft verricht.
swap dienstenvoor AS Watson heeft aangeboden en dat daarover gesprekken zijn gevoerd. Verder heeft het hof overwogen dat volgens FDS tijdens de gesprekken bleek dat een gedeelte van die werkzaamheden in België moest worden uitgevoerd, hetgeen FDS niet kan doen omdat zij daar geen infrastructuur heeft. Tot slot heeft het hof overwogen dat partijen volgens FDS nog in gesprek waren over het Nederlandse gedeelte van de opdracht, dat FDS daarover niets meer hoorde en dat bij navraag bleek dat Wincor Nixdorf het werk zelf ging doen (rov. 43.). Deze overwegingen zijn in cassatie niet bestreden. Gegeven de onbestreden vaststelling van het hof dat
swap dienstenzijn aangeboden en dat daarover concrete gesprekken zijn gevoerd, behoefde het hof niet tot uitgangspunt te nemen dat de informatie dienaangaande louter in het domein van Wincor Nixdorf lag en behoefde het hof ook niet langer in te gaan op de eerder door FDS ingenomen stellingen (i) dat het aanbod voor de
swap dienstente weinig concreet was om te aanvaarden en (ii) dat uit de verklaring van [betrokkene 1] zou volgen dat FDS de werkzaamheden niet heeft afgehouden.
swap dienstenvoor AS Watson heeft aangeboden en dat daarover gesprekken zijn gevoerd (rov. 43.). Het hof is bij de vaststelling van de waarde van de aangeboden diensten uitgegaan van het bedrag dat Wincor Nixdorf voor dit project aan AS Watson heeft kunnen declareren. Het hof heeft echter niet beoordeeld of FDS kon begrijpen dat met de aangeboden werkzaamheden een omzetwaarde van (circa) € 923.854,-- was gemoeid, Verder is het hof niet ingegaan op de met stukken onderbouwde stelling van FDS dat Wincor Nixdorf zelf een projectwaarde van € 500.000,-- heeft genoemd. Bij die stand van zaken is – op vergelijkbare gronden als gelden ten aanzien van het project
PIN-terminals t.b.v. Aldien
roll out t.b.v. KPN(hiervoor randnummers 3.44 en 3.50) – zonder nadere motivering onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat Wincor Nixdorf aan FDS additionele werkzaamheden heeft aangeboden ter waarde van € 923.854,--.
inventarisatie Ikea stores t.b.v. Ikeabehoort tot de aan FDS aangeboden additionele werkzaamheden in de zin van de aanbiedingsbepaling.
€ 3.850,-.”
subonderdeel 2.3.5wordt vervolgens aangevoerd dat de memorie van grieven, anders dan het hof overweegt, niet vermeldt dat het project Ikea is geweigerd omdat die aanbieding te laag zou zijn. Daartoe wordt de volgende passage geciteerd uit randnummer IV.8 van de memorie van grieven:
“Van Ikea heeft FDS vervolgens niets meer mogen vernemen. Ikea is wel geaccepteerd. WN heeft het vervolgens niet gegund (getuige [betrokkene 1]).”
“De Ikea opdracht vertegenwoordigde een omzetwaarde – volgens de eigen stukken van WN) van € 3.850,= (productie 6 bij inleidende dagvaarding). Werkzaamheden tegen of onder kostprijs tellen niet mee ter compensatie van een lager uurtarief van € 85 naar € 62,40. Van Ikea heeft FDS vervolgens niets meer mogen vernemen. Ikea is wel geaccepteerd. WN heeft het vervolgens niet gegund (getuige [betrokkene 1]).”De passage over IKEA vermeldt dus alleen in algemene zin dat werkzaamheden tegen of onder de kostprijs niet zouden meetellen ter compensatie van het lagere uurtarief. De passage valt mijns inziens niet aldus te begrijpen dat ‘de werkzaamheden [met betrekking tot het project
inventarisatie Ikea stores] door FDS niet zijn geaccepteerd omdat het hier werkzaamheden betreft tegen een tarief dat onder de kostprijs zou vallen.’ Het subonderdeel klaagt daarom terecht dat die overweging onbegrijpelijk is.
swap moederborden t.b.v. Aldibehoort tot de aan FDS aangeboden additionele werkzaamheden in de zin van de aanbiedingsbepaling.
€ 5.000,--.
€ 5.000,--.”
subonderdeel 2.3.6wordt aangevoerd dat het hof niet tot de slotsom heeft mogen komen dat Wincor Nixdorf aan haar stelplicht heeft voldaan door te weerspreken dat zij niets van zich heeft laten horen en aan te bieden om [betrokkene 5] hierover als getuige te horen. In die stelling zou namelijk niet besloten liggen dat Wincor Nixdorf heeft voldaan aan haar aanbiedingsplicht. Volgens FDS had het hof pas kunnen oordelen dat Wincor Nixdorf aan haar stelplicht heeft voldaan wanneer Wincor Nixdorf met stukken heeft onderbouwd dat een voorstel is gedaan dat FDS kon aanvaarden. Het zou hier gaan om feiten en omstandigheden die tot het exclusieve domein van Wincor Nixdorf behoren.
subonderdeel 2.3.6dat de stelling van Wincor Nixdorf dat zij de aanbiedingsplicht is nagekomen een zelfstandig verweer oplevert. Ook in zoverre faalt de klacht. Ik verwijs naar randnummers 3.46, 3.55 en 3.63 hiervoor.
onderdeel 2.4bevatten voortbouwende klachten tegen rov. 52. t/m 55. en het dictum. Deze overwegingen en het dictum luiden als volgt:
Conclusie
subonderdelen 2.3.1, 2.3.3, 2.3.4 en 2.3.5raakt ook de vaststelling van het hof in rov. 52. dat Wincor Nixdorf over de betreffende periode van drie jaar in totaal een bedrag van € 1.415.626,97 heeft aangeboden. In zoverre zijn
subonderdeel 2.3.7en
onderdeel 2.4terecht voorgesteld. De andere overwegingen in rov. 52.-55. en het dictum worden niet getroffen.
subonderdelen 2.3.1, 2.3.3 en 2.3.4brengt mee dat na cassatie en verwijzing opnieuw zal dienen te worden onderzocht welke omzet(waarde) in het kader van de aanbiedingsbepaling moet worden toegekend aan de projecten
installatie PIN-terminals t.b.v. Aldi, roll out t.b.v. KPNen
swap diensten t.b.v. AS Watson. Het slagen van
subonderdeel 2.3.5leidt ertoe dat opnieuw dient te worden beoordeeld of het project
inventarisatie Ikea Stores t.b.v. IKEAbehoort tot de additionele werkzaamheden in de zin van de aanbiedingsbepaling. De berekening van de hoogte van de omzet die Wincor Nixdorf in totaal aan FDS heeft aangeboden, kan – naar
subonderdeel 2.3.7 en onderdeel 2.4 terecht bepleiten– in dat licht evenmin in stand blijven. Daarom zal ook opnieuw dienen te worden berekend voor welk bedrag Wincor Nixdorf in de betreffende periode van drie jaar in totaal additionele werkzaamheden in de zin van de aanbiedingsbepaling heeft aangeboden.