ECLI:NL:PHR:2017:996

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2017
Publicatiedatum
3 oktober 2017
Zaaknummer
15/05319
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen van cassatie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 november 2015 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 57.950 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De aanzegging als bedoeld in artikel 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is op 22 april 2016 betekend. De termijn van twee maanden, zoals gesteld in artikel 437, tweede lid, liep af op 21 juni 2016. Gedurende deze termijn heeft de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

Daarom kan de verdachte ingevolge artikel 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

Nr. 15/05319 P
Zitting: 29 augustus 2017 (bij vervroeging)
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 november 2015 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 57.950 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaak 15/05318. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 22 april 2016 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 21 juni 2016. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG