ECLI:NL:PHR:2017:998

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2017
Publicatiedatum
3 oktober 2017
Zaaknummer
16/01762
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 3 Vuurwapenverordening 1930
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatie bij bewezenverklaring medeplegen afpersing en vuurwapenbezit Sint Maarten

De verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor medeplegen van afpersing en het dragen van een vuurwapen in Sint Maarten. In cassatie klaagt de verdediging dat de bewezenverklaring van medeplegen afpersing uitsluitend steunt op betwiste verklaringen van een getuige die niet is gehoord door het hof, en dat het bewijs voor het vuurwapen onvoldoende is.

De Hoge Raad overweegt dat het hof voldoende andere bewijsmiddelen heeft gebruikt om de betrokkenheid van de verdachte bij de afpersing vast te stellen, waaronder verklaringen van het slachtoffer en andere feiten. Ook acht het hof het bewijs voor het bezit van een vuurwapen voldoende op basis van verklaringen van verbalisanten en de verdachte zelf.

Daarom zijn de middelen van cassatie klaarblijkelijk niet gegrond en wordt de verdachte op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. De straf van drie jaar blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie en de straf van drie jaar gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 16/01762 A
Zitting: 5 september 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 17 februari 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens, onder 1, “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en, onder 2, “overtreding van een bij artikel 3 van Pro de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 16/01761 A bij de Hoge Raad aanhangige zaak, in welke zaak ik vandaag eveneens zal concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Ik ben van oordeel dat beide middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en dat de verdachte op de voet van art. 80a RO in zijn cassatieberoep niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Ik zal dat kort toelichten.
4. In het
eerste middelwordt gesteld dat het hof de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde (in vereniging gepleegde) afpersing in overwegende mate heeft doen steunen op bij de politie afgelegde verklaringen van een getuige [getuige] die zijn politieverklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg op essentiële punten heeft gewijzigd en dat het hof – nu de verdediging de betrouwbaarheid van de betreffende getuige heeft betwist en het hof deze getuige niet heeft opgeroepen om te worden gehoord – de bewezenverklaring niet toereikend heeft gemotiveerd.
4.1. Het middel staat of valt met de vraag of het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van de getuige [getuige], die ten tijde van het tenlastegelegde feit werkzaam was als beveiligingsmedewerker bij [A] in Sint Maarten waar de afpersing voor de deur heeft plaatsgevonden. Het hof heeft voor het bewijs dat de verdachte als pleger bij de afpersing betrokken is geweest gebruik gemaakt van twee verklaringen van deze getuige, die onder meer inhouden dat de verdachte als eerste geld aan het slachtoffer vroeg tijdens de omsingeling van slachtoffer [slachtoffer] door de verdachte en zijn medeverdachten. Het gedeelte van de bij de politie afgelegde verklaringen waarover [getuige] ter terechtzitting in eerste aanleg anders heeft verklaard, heeft vooral betrekking heeft op de al dan niet significante rol die de verdachte bij de benadering van [slachtoffer] op de tenlastegelegde tijd en plaats heeft gehad. Het hof kon uit de overige gebruikte bewijsmiddelen zelfstandig afleiden:
(i) dat door de verdachte en/of zijn medeverdachten tegen [slachtoffer] is gezegd dat hij geld moest geven en [slachtoffer] door één van de verdachten is geduwd (zie de verklaring van [slachtoffer] zelf) en
(ii) dat [slachtoffer] op enig moment geld aan de verdachte heeft gegeven.
Daardoor bevat het bewijsmateriaal ook naast het door de verdediging betwiste gedeelte van de verklaringen van [getuige] zonder meer voldoende feiten en omstandigheden waaruit de betrokkenheid van de verdachte aan de afpersing en de significante rol van de verdachte daarbij kunnen worden afgeleid. [1] Het eerste middel kan om die reden klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
5. Dit geldt ook voor het
tweede middel. Dit middel bevat de klacht dat het hof uit de voor het bewijs van de onder 2 tenlastegelegde overtreding van de Vuurwapenverordening 1930 gebezigde verklaring van verbalisanten wel heeft kunnen afleiden dat de verdachte op de tenlastegelegde tijd en plaats een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad maar niet dat het daarbij daadwerkelijk om een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 ging, terwijl het hof de gevolgtrekking dat de verdachte op de tenlastegelegde tijd en plaats een echt vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad op basis van de verklaring van de verbalisanten en de tevens gebezigde verklaring van de verdachte zelf wel degelijk heeft kunnen maken.
6. In het licht van het voorgaande is mijn standpunt in deze zaak dat de verdachte op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep omdat de voorgestelde middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2753, m.nt. Borgers, rov. 3.5.