Conclusie
eerste middelwordt gesteld dat het hof de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde (in vereniging gepleegde) afpersing in overwegende mate heeft doen steunen op bij de politie afgelegde verklaringen van een getuige [getuige] die zijn politieverklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg op essentiële punten heeft gewijzigd en dat het hof – nu de verdediging de betrouwbaarheid van de betreffende getuige heeft betwist en het hof deze getuige niet heeft opgeroepen om te worden gehoord – de bewezenverklaring niet toereikend heeft gemotiveerd.
tweede middel. Dit middel bevat de klacht dat het hof uit de voor het bewijs van de onder 2 tenlastegelegde overtreding van de Vuurwapenverordening 1930 gebezigde verklaring van verbalisanten wel heeft kunnen afleiden dat de verdachte op de tenlastegelegde tijd en plaats een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad maar niet dat het daarbij daadwerkelijk om een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 ging, terwijl het hof de gevolgtrekking dat de verdachte op de tenlastegelegde tijd en plaats een echt vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad op basis van de verklaring van de verbalisanten en de tevens gebezigde verklaring van de verdachte zelf wel degelijk heeft kunnen maken.