ECLI:NL:PHR:2018:1057

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2018
Publicatiedatum
25 september 2018
Zaaknummer
16/02064
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 116 lid 2 SvArt. 116 lid 3 SvArt. 33a lid 1 sub a Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over teruggave conservatoir beslag bij gebrek aan strafvorderlijk belang

In deze zaak stond de vraag centraal of een beslag op een geldbedrag, gelegd onder een veroordeelde verdachte, moest worden opgeheven en het geld aan hem moest worden teruggegeven. De rechtbank had het beklag van de beslagene ongegrond verklaard omdat hij niet redelijkerwijs als rechthebbende van het geld kon worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank een onjuiste maatstaf had toegepast.

De rechtbank had geoordeeld dat, nu het belang van de strafvordering niet langer het beslag rechtvaardigde, de vraag moest worden beantwoord of de beslagene als eigenaar van het geld kon worden beschouwd. De Hoge Raad corrigeerde dit en stelde dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang het beslag moet worden opgeheven en het goed moet worden teruggegeven aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.

De Hoge Raad benadrukte dat het feit dat het geld van misdrijf afkomstig is, niet automatisch betekent dat het niet aan de beslagene toebehoort. Ook hoeft die ander niet bij naam bekend te zijn. De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking en verwees de zaak terug voor een nieuwe beslissing conform deze maatstaf.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling met de juiste maatstaf voor teruggave van conservatoir beslag.

Conclusie

Nr. 16/02064 B
Zitting: 2 oktober 2018
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[klager]
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 5 april 2016 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op een geldbedrag en een last tot teruggave aan hem, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Bespreking van het middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank bij de ongegrondverklaring van het beklag een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans haar oordeel daaromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
‘’Op 13 februari 2008 is onder klager voornoemd geldbedrag [van in totaal € 27.208,- ; A-G] in beslag genomen.
Op het beslag ligt thans conservatoir beslag ten laste van klager.
Klager is veroordeeld voor - kort gezegd - medeplegen van een overval en witwassen. Het wederrechtelijk voordeel dat klager heeft genoten uit de overval is door de rechtbank vastgesteld op een bedrag van € 8.333,-. De klacht richt zich op het beslag op, na betaling van het genoten voordeel, het nog resterende bedrag van € 18.875-.
In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het in beslag genomen geld kan worden aangemerkt.
Nu inmiddels zowel in de strafzaak als de ontnemingszaak tegen klager onherroepelijk is beslist, vordert het belang van strafvordering niet langer de voortduring van het beslag. Het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat, maakt het voortduren van het beslag niet langer nodig.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang het beslag dient te worden opgeheven.
Wat er verder ook zij van het al dan niet doen van een mededeling ex artikel 116 lid Pro 2, jo lid 3 Sv, aan klager, de vraag die thans dient te worden beantwoord is of klager kan worden aangemerkt als eigenaar van het geld.
De raadsman heeft gesteld dat klager op grond van een mededeling van een ervaren medewerker van het parket, inhoudende dat het geld (na verrekening met het vastgestelde wederrechtelijke voordeel van € 8.333,-) aan klager zou worden teruggegeven, erop mocht vertrouwen dat dit ook daadwerkelijk zou gebeuren.
De rechtbank is van oordeel dat tegen de achtergrond van het dossier zoals hiervoor kort weergegeven, op grond waarvan het gerechtshof gemotiveerd en expliciet heeft overwogen dat ‘het niet anders kan dan dat het onder klager inbeslaggenomen geld van misdrijf afkomstig is’, de enkele mondelinge mededeling van een ervaren parketmedewerker onvoldoende is om aan te nemen dat bij klager het vertrouwen is gewekt dat het openbaar ministerie dat van misdaad afkomstige geld daadwerkelijk aan hem terug zou geven.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het voorts om diezelfde reden ook buiten redelijke twijfel dat klager niet als rechthebbende op het geld kan worden aangemerkt en zijn er voldoende aanwijzingen dat de werkelijke eigendomsverhoudingen zijn afgeschermd.‘’
3.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geldbedrag op grond van art. 94a Sv ten laste van de klager in beslag is genomen. In een dergelijk geval dient de rechter die over het beklag van de beslagene heeft te oordelen, te onderzoeken:
a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. [1]
3.4. Is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een verplichting tot betaling van een geldboete of een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, dan dient de rechter de teruggave te gelasten aan de klager, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het inbeslaggenomen goed moet worden beschouwd. [2] De vraag of de klager, tevens beslagene, zelf redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het goed moet worden beschouwd, komt niet aan de orde. [3] Als er dus geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd [4] , dient het goed te worden teruggegeven aan de beslagene, ook als twijfelachtig is of het goed hem toebehoort.
3.5. Gelet op het voorgaande, ben ik met de steller van het middel van oordeel dat de rechtbank, door onder meer te overwegen dat ‘’thans dient te worden beantwoord (…) of klager kan worden aangemerkt als eigenaar van het geld’’ en ‘’klager niet als rechthebbende op het geld kan worden aangemerkt’’, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. In de toelichting van het middel wordt terecht gesteld dat in onderhavig geval – waarin onder de klager conservatoir beslag is gelegd en de rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering (in de zin van art. 94a Sv) zich niet tegen teruggave verzet – de vraag of de klager redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het geldbedrag moet worden beschouwd niet aan de orde komt. Als hoofregel luidt immers dat, bij gebrek aan strafvorderlijk belang bij de voortduring van het beslag, teruggave wordt gelast aan de beslagene.
3.6. De rechtbank heeft niet heeft vastgesteld dat een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende heeft te gelden. Die vaststelling ligt ook niet in de overwegingen van het hof besloten. Ik merk daarbij op dat uit het feit dat het geld van misdrijf afkomstig is, bepaald niet volgt dat het geld aan een ander toebehoort. Het geld bijvoorbeeld dat een drugsdealer met zijn handel verdient, hoort die dealer toe, zodat dat geld bij een eventuele veroordeling van de dealer op grond van art. 33a lid 1 onder a Sr verbeurd kan worden verklaard.
4. Het middel is terecht voorgesteld.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing van de zaak als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.14.
2.HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1624, NJ 2011/125 m.nt. Mevis, rov. 2.3.
3.HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1624, NJ 2011/125, m.nt. Mevis, rov. 2.4.
4.Niet vereist lijkt overigens te zijn dat die ander met naam en toenaam bekend is. Als de beslagene verklaart dat het goed niet van hem is, maar van een (niet bij name genoemde) ander, kan op grond daarvan worden aangenomen dat het goed redelijkerwijs aan een ander toebehoort. Zie HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0539, NJ 2009/404 en HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0524, NJ 2009/405. In deze beschikkingen ging het weliswaar niet om conservatoir beslag, maar mij lijkt dat geen verschil te maken.