Conclusie
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 10 juni 2014 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, onder andere ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:
eerste middelklaagt over een gebrek aan respons op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, waarvan het hof is afgeweken, te weten (1) dat uit onder meer getuigenverklaringen blijkt dat requirant inkomsten heeft gehad in de vorm van een bruidsschat, (2) dat de aanschaf van de Mercedes, de Harley Davidson, de Audi S4 en de bij requirant aangetroffen contanten (deels) verklaarbaar zijn uit legale inkomsten, en (3) dat de verbeurdverklaarde auto’s niet op last van het OM voor marktconforme prijzen zijn verkocht.
stellingen van de verdediging onvoldoende[zijn]
onderbouwd en overigens ook niet aannemelijk[zijn]
geworden.” Hieruit maak ik op dat het hof de hier bedoelde standpunten van de verdediging
nietheeft aangemerkt als uitdrukkelijk en onderbouwd, althans niet als een zodanig gemotiveerde betwisting van een gevolgtrekking dat daarop bij aanvaarding van die gevolgrekking meer uitgebreid moest worden gerespondeerd dan zoals het hof in het bestreden arrest heeft gedaan. [1]
de totaalwaarde” van de voertuigen – naar ik begrijp: de waarde op het moment van inbeslagneming onder de betrokkene – in mindering gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijke verkregen voordeel wordt geschat. [4] Naar ik aanneem heeft het hof voor het bepalen van deze totaalwaarde – zonder enige toelichting – aansluiting gezocht bij het bedrag dat de voertuigen bij de latere verkoop door justitie zouden hebben opgebracht, naar ik begrijp: “
€ 26.180,-” (het hof zal – als ik dat alles goed begrijp – hebben bedoeld: € 26.220,-). [5]
Cliënt kan zich in deze relatief geringe aftrek niet vinden.
onvoldoende[zijn]
onderbouwd en overigens ook niet aannemelijk[zijn]
geworden”. De waarde van beide voertuigen heeft het hof zonder enige toelichting gesteld op € 26.180,-. In het licht van hetgeen hieromtrent ter terechtzitting is aangevoerd, acht ik dat oordeel niet begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. De verwijzingen van de raadsman naar het verschil tussen aankoopprijs en verkoopprijs, en naar de in het proces-verbaal van bevindingen en het financiële rapport opgenomen (hogere) dagwaarden hadden het hof aanleiding moeten geven toe te lichten op welke gronden het afwijkt van het hier besproken standpunt van de verdediging. In zoverre slaagt het middel.
tweede middelbouwt voor een deel voort op het eerste middel. De steller van het middel staat in de toelichting stil bij de wijze waarop in eerste aanleg is gekomen tot de bepaling van de marktwaarde van de verbeurdverklaarde voertuigen. Hij wijst in dat verband op – door het hof overgenomen – rekenfouten die de officier van justitie en de rechtbank zouden hebben gemaakt, en klaagt ten slotte onder verwijzing naar rechtspraak dat ‘s hofs schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet berust op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, althans dat het hof die schatting onvoldoende heeft gemotiveerd, mede doordat het hof een gevolgtrekking omtrent de waarde van de verbeurdverklaarde voertuigen heeft aanvaard ofschoon die gevolgtrekking door de verdediging ter terechtzitting ‘voldoende gemotiveerd’ was betwist.
nietin mindering te worden gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt begroot, doch op het bedrag van de betalingsverplichting aan de staat. [6] Hetgeen met het oog op voordeelsontneming wordt verbeurdverklaard reduceert immers niet de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar alleen de omvang van hetgeen na de verbeurdverklaring nog moet worden ontnomen om de betrokkene in de vermogenspositie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien hij géén wederrechtelijk voordeel zou hebben verkregen.