Conclusie
1.Feiten en procesverloop
derden. [eiser] heeft naar het oordeel van het hof geen voldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat [betrokkene 1 en 2] er destijds in weerwil van die bewoordingen vanuit mochten gaan dat ook waardevermindering van de grond als gevolg van bodemverontreiniging (die tot vermogensschade van henzelf zou leiden) onder deze bepaling was begrepen. De enkele stelling dat [betrokkene 1] zou hebben gezegd dat hij niet wilde dat latere problemen voor zijn rekening zouden komen, is daarvoor niet voldoende. Dit klemt temeer nu ook namens [eiser] is betoogd dat het de bedoeling is geweest [betrokkene 1 en 2] te vrijwaren voor eventuele schade waarop de broers door derden (niet zijnde één van de partijen bij de overeenkomst of hun rechtsopvolgers, zie memorie van antwoord onder 22 en 24 en pleitnota in hoger beroep mr. Wallinga, onder 16) zouden worden aangesproken. Ook [eiser] is derhalve kennelijk van mening dat [betrokkene 1] niet als derde in de zin van de vrijwaringsbepaling kan worden gezien. Daar komt bij dat juist als de partijen bij de overeenkomst, zoals [eiser] stelt, destijds op de hoogte waren van het risico van bodemverontreiniging (en het daarmee samenhangend risico van vermogensschade door waardevermindering van de grond), het in de rede lag dat de gemeente [betrokkene 1 en 2] niet alleen zou vrijwaren voor schade van derden, maar ook voor schade van [betrokkene 1 en 2] zelf. Dat [betrokkene 1 en 2] indertijd voor de storting door de gemeente van huis- en bedrijfsafval op hun grond geen tegenprestatie hebben bedongen betekent, ten slotte, niet dat de overeenkomst die zij hebben gesloten in andere zin moet worden uitgelegd dan hiervoor is gebeurd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
schade van Bouwfondsin de zin van artikel 6:95 BW Pro (die ontegenzeggelijk onder de vrijwaringsbepaling valt), te weten het verschil tussen de werkelijke toestand ten tijde van het schadetoebrengende feit – zijnde de confrontatie van Bouwfonds met de vervuiling – en de toestand zoals deze (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit zich niet zou hebben voorgedaan. Bouwfonds heeft feitelijk nadeel geleden; dat die schade door Bouwfonds naar [betrokkene 1] is
verlegd(in de koopovereenkomst en de leveringsakte) doet daaraan niet af. Aldus heeft het hof een rechtens onjuist schadebegrip gehanteerd, dan wel is zijn beslissing onbegrijpelijk en is het hof met name van een onbegrijpelijke uitleg van de met Bouwfonds gesloten overeenkomst uitgegaan, aldus het middelonderdeel.
derden) – vanuit mochten gaan dat waardevermindering van de grond (die tot vermogensschade van
henzelfzou leiden)
onder deze bepaling was begrepen.
middelonderdeel IIIis het hof met zijn overwegingen in rov. 3.5 en 3.6 buiten de rechtsstrijd van partijen getreden c.q. heeft het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing genomen. Hetgeen het hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd zou door geen van partijen (en met name niet door de gemeente) zijn aangevoerd. De gemeente zou immers ‘slechts’ hebben aangevoerd dat ‘zij’ – ik begrijp: Bouwfonds – niet als ‘derde’ in de zin van de vrijwaringsbepaling kon worden aangemerkt, een beroep op verjaring hebben gedaan en de hoogte van de schade hebben betwist.
middelonderdeel IV.