Conclusie
[verzoeker 1]
[verzoeker 2]
[de moeder]
[verweerder 2]
[verweerster 3]
1.Feiten en procesverloop
primair[verweerster 3] te benoemen tot bewindvoerder, en
subsidiaireen professionele bewindvoerder in de buurt van de moeder, een en ander met ingang van de dag na de te wijzen beschikking.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in strijd met het belang van de ondernemingen
om die redenook in strijd met het belang van de ouders zijn geweest. Zoals het hof aan het slot van de tweede alinea van rov. 4.7 bovendien vaststelt en van belang acht, heeft [verweerster 3] in de procedures betreffende de zakelijke geschillen onbetwist aangevoerd, hierbij geen gebruik te hebben gemaakt van de volmachten van de ouders, maar in haar (vermeende) hoedanigheid van bestuurder te hebben gehandeld. Dat zij daarbij zonder meer de hier gestelde wensen van de certificaathouder diende te volgen, kan niet worden aangenomen.
Baros/Embrica), ECLI:NL:HR:2008:BE7628, NJ 2009/474, waaruit blijkt dat ook ten aanzien van een in een productie opgenomen verweer, óók als dat niet (als zodanig) in de processtukken is aangevoerd, onder omstandigheden geoordeeld kan worden dat dit voldoende duidelijk naar voren is gebracht, en dat de rechter het desbetreffende verweer in dat geval ook in zijn beoordeling
moetbetrekken:
nietuitsluitend in een bij conclusie of akte overgelegde productie, maar óók in de akte zelf is gevoerd. Toch achtte de Hoge Raad het verweer in dit geval dusdanig kenbaar dat het hof het in zijn beoordeling had moeten betrekken.
binnen de grenzen van de rechtsstrijd, alle behoorlijk te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden in zijn beoordeling van
het hem voorgelegde punt van geschilte betrekken, en (…) de rechter bij die beoordeling niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die door ieder van de partijen voor het door haar ingeroepen rechtsgevolg zijn aangevoerd.” [17] (cursiveringen toegevoegd)