Conclusie
1.Feiten en procesverloop
De winstverdeling bedraagt vanaf 2001 50% [de man] en 50% [de vrouw]. Wanneer er echter een meningsverschil binnen de bedrijfsvoering ontstaat is de mening van [de man] doorslaggevend.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
[onderdeel II]Daar staat tegenover dat de man, naar hij heeft erkend, voor de laatstgenoemde werkzaamheden derden zou moeten inschakelen, hetgeen van negatieve invloed zou zijn op de bedrijfsresultaten.
[onderdeel III]Naar het oordeel van het hof is de onderneming daarom terecht toegedeeld aan de vrouw. Daaraan doet niet af al hetgeen de man (verder) heeft aangevoerd.
[onderdelen IV-V]In het bijzonder niet het onderdeel van de onder 2.5 aangehaalde overeenkomst:
Wanneer echter een meningsverschil binnen de bedrijfsvoering ontstaat, is de mening van [de man] doorslaggevend.Hieraan kan niet de betekenis worden toegekend die [de man] eraan geeft, gelet op de gemotiveerde betwisting door [de vrouw], inhoudende dat deze afspraak slechts interne werking heeft, niet ziet op verdeling van vermogen en nooit is uitgevoerd.
[onderdeel I]
[onderdeel VI](…)”
onderdelen II en IIIklagen dat de onder (d) en (e) vermelde uitgangspunten onbegrijpelijk zijn, althans de bestreden beslissing niet kunnen dragen. Bij gebreke van uitwerking, voldoen deze klachten niet aan de daaraan te stellen eisen. Overigens acht ik de bedoelde uitgangspunten niet onbegrijpelijk, mede gelet op het hiervoor onder (b) vermelde (en in cassatie onbestreden) uitgangspunt dat de vrouw een hogere omzet in de onderneming heeft gerealiseerd. Ook is niet onbegrijpelijk dat het hof (mede) daarin grond heeft gezien voor toedeling van de v.o.f. aan de vrouw.
onderdelen IV en Vals essentieel aangemerkte stellingen heeft het hof in rov. 3.3 samengevat en in rov. 3.4 verworpen (zie onder meer de verwijzing naar “al hetgeen de man (verder) heeft aangevoerd”). Gelet op de al genoemde vrijheid die het hof in dezen toekwam, behoefde het niet (nader) op al deze stellingen in te gaan. [9] Ook voor zover daarmee werd gerefereerd aan “de herkomst van de onderneming van vader op zoon en de verknochtheid die in de deskundigheid op dit terrein in de persoon van [de man] is belichaamd”, doen deze stellingen geen afbreuk aan de begrijpelijkheid van het oordeel dat de v.o.f. op de onder (a) tot en met (e) vermelde gronden aan de vrouw moet worden toegedeeld.