Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
in elk gevalte beschikken over een compleet overzicht van het verloop van deze schuld met inbegrip van alle aflossingen en betalingen van rente en kosten en vermelding van de persoon van de betaler (man of vrouw of samen). Weliswaar heeft de man afschriften van het krediet overgelegd en stukken die betrekking hebben op de verkoop van de panden van partijen, maar daarmee nog niet het nodige volledig overzicht van het verloop van de schuld gegeven. Daarbij komt dat de vrouw de stellingen van de man ten aanzien van het regres gemotiveerd betwist en dat de man die betwisting niet weerspreekt. Het is voor het hof niet mogelijk aan de hand van de in deze procedure overgelegde stukken vast te stellen of de man meer heeft betaald dan hem aangaat. De man voldoet op dit punt niet aan zijn stelplicht. Het hof merkt ten overvloede op dat de man ook geen bewijs heeft aangeboden van zijn stelling. Grief 2 faalt.”
de rekenkundige exercitie van de man kant nog wal slaat” volstrekt ondoorzichtig is en dat als de man meent een regresvordering te hebben, hij die kan indienen in de (door de vrouw gestarte) separate procedure waarin zij haar regresvordering wil laten vaststellen. Pas ten tijde van de mondelinge behandeling heeft de vrouw op dit punt inhoudelijke en (dus) nieuwe verweren gevoerd, zoals door het hof (overigens niet geheel juist) weergegeven in rov. 5.8. Voorts is ter mondelinge behandeling op het punt van het regres door de man herhaaldelijk aangegeven dat alle mutaties van alle leningen op de “000-rekening” in debet zijn gesteld, onder verwijzing naar de overgelegde bankafschriften.
Daarbij komtdat de vrouw de stellingen van de man ten aanzien van het regres gemotiveerd heeft betwist (althans daartegen verweren heeft aangevoerd) en de man die betwisting (die verweren) niet weerspreekt. De man voldoet niet aan zijn stelplicht en het is “
voor het hof niet mogelijk aan de hand van de in deze procedure overgelegde stukken vast te stellen of de man meer heeft betaald dan hem aangaat”.
compleet overzicht van het verloop van deze schuld met inbegrip van alle aflossingen en betalingen van rente en kosten en vermelding van de persoon van de betaler (man of vrouw of samen)heeft gegeven.
overigens niet geheel juist” is) – getuigt dat, gelet op de voorgaande vaststelling, in ieder geval wat betreft de vrouw niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin behoefde het hof dat oordeel in dit kader nader te motiveren. Bovendien moet worden aangenomen dat beide partijen aldaar de gelegenheid hebben gekregen om op elkaar te reageren (hierover wordt ook niet geklaagd), hetgeen in dit kader voldoende moet worden geacht.
niet(met zoveel woorden) heeft gesteld dat al in het saldo van 25 februari 2011
beideonderdelen van de schuld waren meegenomen, maar slechts in zijn algemeenheid (en in die zin overeenkomstig het verweer van de vrouw) heeft gesteld dat (op enigerlei tijdstip) “
de middellange leningen zijn geliquideerd en in debet gesteld op de mutatierekening”. Ook zagen de verweren van de vrouw erop dat volgens haar geen rekening is gehouden met de door de vrouw tot 25 februari 2011 uit eigen middelen betaalde rente van ongeveer € 500.000,- (waarvoor zijzelf een regresrecht op de man heeft) en met de rente over de eigen schuld van de man aan de bank van € 478.954,86 (die kennelijk niet door hem alleen is betaald, zodat de vrouw ook hier regres toekomt). Beide verweren strekken, indien zij worden gevolgd, tot de conclusie dat de door de man berekende regresvordering niet (meer), of niet tot die omvang, bestaat. De door de man genoemde stellingen heeft de vrouw daarvoor niet hoeven innemen. Dat het door de man genoemde saldo alle op dat moment bestaande verplichtingen jegens de bank zou omvatten (inclusief verschuldigde rente), zegt bovendien nog niets over de onderlinge draagplicht tussen man en vrouw en dus over de vraag of, alle (ook latere) mutaties en (ook onderling) verschuldigde renteberekeningen meegenomen, voor de man uiteindelijk een regresvordering resteert of niet. Dat de vrouw uit zou gaan van een onjuiste uitleg van de verdelingsakte, valt, zeker zonder nadere toelichting, niet in te zien. De vrouw spreekt immers slechts van de rente tot aan 25 februari 2011 (de dag van de verdelingsakte ofwel de overnamedatum, vanaf wanneer de vrouw volgens die akte de verplichting op zich nam om € 3.250.000,- van de totale schuld voor haar eigen rekening te nemen) en van de rente over een deel van de schuld dat de man om andere redenen dan deze verdeling voor eigen rekening diende te nemen. Bovendien heeft dit alles (zoals hierboven onder 2.20 reeds aan de orde kwam) mijns inziens weinig met de uitleg van de bedoelde akte door het hof te maken, en voor zover dat nog wel het geval zou zijn, valt niet in te zien dat het hof de toepasselijke uitlegmaatstaf zou hebben miskend of zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
subonderdeel 1.8.
gezamenlijke(tijdens huwelijk verworven) inboedel, bestaande uit (o.a.) de in zijn beroepschrift (p. 14-15) genoemde “
antiquiteiten, juwelencollectie, pennencollectie, schilderijen, zilveren bestek, zilveren kandelaars, zeventiende en achttiende eeuwse klokken, glaswerkverzameling, bronzen beelden, boeken, televisie radio, CD’s” en heeft grief 23 betrekking op (de afgifte van) de door de vrouw opgeslagen inboedel
van de man. De man heeft in zijn pleitaantekeningen (onder 11) ook verzocht “
de huwelijkse boedel, de kostbare juwelencollectie, poppen- en pennenverzameling te laten beschrijven en (…) de verdeling te gelasten” en daarbij verwezen naar de in producties D10 en D11 overgelegde lijsten van respectievelijk de inboedel van de man (D10) en de gezamenlijk tijdens het huwelijk verworven inboedel (D11). Ook ter mondelinge behandeling op 12 juni 2017 is naar als producties 11, 62 en 63 overgelegde beschrijvingen van inboedel verwezen, aldus het subonderdeel.
Grief 6 Inboedel
het gedeelte van de inboedel dat aan de man toebehoort wordt overgedragen conform de aangeleverde lijsten.”
dat aan de man toebehoort(en derhalve niet behoeft te worden verdeeld). In de grief en het verzoek (en óók bij het in de pleitaantekeningen nog opgenomen verzoek om “
de afgifte te bevelen van de eigendommen van de man, de huwelijkse boedel, de kostbare juwelencollectie, poppen- en pennenverzameling te laten beschrijven en – zo nodig na het horen van degenen die daarover kunnen verklaren – de verdeling te gelasten”) wordt verwezen naar aangeleverde lijsten (producties 10 en/of 11). Productie 10 betreft, zoals de grief zelf aangeeft, de inbreng voor het (buiten iedere gemeenschap van goederen gesloten) huwelijk, dat derhalve door het huwelijk niet gemeenschappelijk is geworden en dus ook niet hoeft te worden verdeeld. In productie 11 zijn, zoals de grief zelf aangeeft, verschillende stukken opgenomen inclusief bewijzen dat deze van de man zijn. [10] De grief geeft ook aan dat deze stukken zijn opgeslagen in een door de vrouw gehuurde box (net als de zaken waarop grief 23 betrekking heeft). Als deze stukken inderdaad van de man zijn, valt ook hier niet in te zien dat deze zouden moeten worden verdeeld, in plaats van slechts afgegeven. Nu alle goederen zich kennelijk in de door de vrouw gehuurde opslagruimte bevinden, heeft het hof in rov. 5.14 ook over al deze goederen geoordeeld, al heeft het dan – gelet op wat in grief 6 over de eigendom van deze goederen wordt gesteld, en gelet op het feit dat een nadere toelichting voorts nagenoeg geheel ontbreekt, terecht – geoordeeld dat deze moeten worden afgegeven in plaats van verdeeld.
een going concern situatie, waarbij de exploitatie wordt voortgezet tot en met mei 2012”;
subonderdeel 3.2zijn de beslissingen van het hof in rov. 5.28 en 5.29 ook onbegrijpelijk omdat de vaststellingen die het hof in rov. 5.27 ten grondslag legt aan zijn beslissing om uit te gaan van de niet-overdraagbaarheid van de onderneming op de peildatum en de liquidatiewaarde, geen onderscheidend vermogen hebben bij de keuze tussen liquidatiewaarde of APV-waarderingsmethode als waarderingsmaatstaf. Voorts wordt het uitgangspunt van het hof in rov. 5.28 dat de APV-methode uitsluitend in beeld zou kunnen komen indien de onderneming overdraagbaar was op de peildatum, onbegrijpelijk geacht, nu ook bij niet-overdraagbaarheid van de onderneming op de peildatum de APV-methode toepasbaar is, getuige het feit dat de deskundige op 14 augustus 2014 zijn rapport heeft afgegeven waarin is uitgegaan van de APV-methode, terwijl op dat moment al vaststond dat de onderneming niet was overgedragen op de peildatum en werd uitgegaan van een fictieve staking per 2012.
afwijkende [16] , en in cassatie als zodanig niet bestreden – oordeel dat de onderneming van de B.V. op de peildatum niet overdraagbaar was, nu niet goed voorstelbaar is dat op dat moment voor de onderneming nog een koper had kunnen worden gevonden. Dit oordeel heeft het hof gemotiveerd door erop te wijzen dat aan de door de B.V. verrichte diensten vanaf 2008 gelet op de ingrijpende wijzigingen in de procespraktijk een sterk verminderde behoefte bestond, dat dit op de peildatum al te voorzien was, en dat dit niet alleen blijkt uit de sterk teruglopende omzet van de B.V. na de peildatum maar ook uit de omstandigheid dat andere kantoren dit deel van hun praktijk afstootten met het tijdelijk effect dat de omzet en het resultaat van B.V. over 2008 nog eenmalig toenamen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het hof in rov. 5.27 – in cassatie overigens onbestreden – al had vastgesteld dat de B.V. actief is op het gebied van de juridische dienstverlening aan advocatenkantoren die vooral bestaat uit rolwaarnemingen en dat op 1 januari 2008 voorzienbaar was dat door de afschaffing van het procuraat en de wijzigingen van de competentiegrenzen voor kantonzaken de activiteiten van de B.V. sterk zouden afnemen. Hieruit blijkt dat het hof niet alleen rekening heeft gehouden met de onoverdraagbaarheid van de B.V. op de peildatum, maar ook meer in het algemeen met een sterk teruglopende omzet die de onderneming al snel na de peildatum (absoluut gezien in 2012, maar gelet op het feit dat het resultaat vooral bestaat uit de rente op de vordering in rekening courant op de aandeelhouder, die deze bovendien niet uit eigen middelen kan betalen, in feite al in 2010, zie rov. 5.27 laatste gedachtestreepje) verliesgevend zou maken.
en 2009mede zijn ontstaan doordat de B.V. werkzaamheden heeft overgenomen van andere kantoren.
de sterk teruglopende omzet van [A] B.V. na de peildatum”.
subonderdeel 3.6kan dan ook niet slagen.
In het waarderingsscenario wordt geen rekening gehouden met de substantiële, ongedekte onttrekkingen door de aandeelhouder in 2008 en 2000 (ruim € 1.1 mln.). In werkelijkheid hebben deze onttrekkingen wel plaatsgevonden. Daardoor is de vennootschap op dit moment niet in staat tot afstorting van het aan de man toekomend deel over te gaan.”
pensioenverevening, AG] van de man en de voor partijen en [A] B.V. als pensioenuitvoerder uit de Wet [
vereveningAG] pensioenrechten bij scheiding voortvloeiende rechten en verplichtingen. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich beroept op zijn recht tot pensioenverevening en de daaruit voortvloeiende uitkeringen/betalingen. Daarvoor is van doorslaggevend belang dat naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan dat de man door het doen van opnames [A] B.V. heeft leeggegeten (zoals de vrouw stelt) en vervolgens van diezelfde [A] B.V. ook nog eens betaling van pensioen verlangt. De man betwist deze stelling. Bovendien komt uit de stukken naar voren dat de vrouw sedert 2008 omvangrijke bedragen in rekening-courant heeft opgenomen of doen opnemen, terwijl zij zelf niet beschikte noch beschikt over de middelen deze schuld in rekening-courant te vereffenen. Het was aan haar als bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. om zoveel mogelijk ervoor te zorgen dat de vennootschap de pensioentoezegging te zijner tijd zou kunnen nakomen. Zij had zich dienen te onthouden van het doen of toestaan van deze onttrekkingen in rekening courant nu mede daardoor en door de daaraan inherente (fiscale) risico’s het gestand doen van de pensioentoezegging onmogelijk is gemaakt. In zoverre falen de grieven XI-XIV.”
ex nuncrecht had moeten doen op de grieven en verzoeken van de man en de vrouw, en niet heeft kunnen verwijzen naar de
status quoop de datum van de rapportage van de deskundige (14 juli/augustus 2014), doch recht had moeten doen naar de meest recente hem bekende situatie waarbij het hof er op 1 augustus 2017 blijkens rov. 5.17 van uitgaat dat de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden, zijn gecontinueerd. Volgens
subonderdeel 4.2zijn de beslissingen van het hof in rov. 5.17 en 5.30 ten aanzien van de pensioenafstorting onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de man dat door de man is aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de B.V. van de vrouw langer is doorgegaan, dat de vrouw het afgelopen jaar met haar B.V. twee ton winst heeft gemaakt, dat de vrouw heeft aangegeven te stoppen met haar B.V. doch dit niet heeft gedaan, dat de vrouw heeft erkend dat zij is doorgegaan met haar bedrijf en dat de vrouw heeft erkend dat zij op dit moment werk heeft om twee mensen op het kantoor aan het werk te houden, en zijn deze beslissingen voorts onbegrijpelijk in het licht van het feit dat het hof er op 1 augustus 2017 blijkens rov. 5.17 zelf van uitgaat dat de onderneming is voortgezet, omdat het immers heeft beslist dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar zou worden gebracht.
niet alleen op dit moment, maar al langer onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te realiseren. Daarmee ontvalt ook de grond aan de – eventueel ook los van de door de man genoemde stellingen aangevoerde – klacht dat niet
ex nunczou zijn geoordeeld over de pensioenafstorting.
het gestand doen van de pensioentoezegging onmogelijk is gemaakt”, onbegrijpelijk is, nu het hof uitsluitend heeft vastgesteld dat de B.V. niet in staat is tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar. Daarmee is echter niet gezegd dat het gestand doen van de pensioentoezegging onmogelijk is gemaakt, omdat een pensioentoezegging ook op andere wijzen kan worden nagekomen, zoals de door de rechtbank (in rov. 2.43 van haar eindbeschikking) geconstateerde wijze en de door de man meer subsidiair verzochte wijze waarbij jaarlijks een bedrag van € 16.289,- wordt uitgekeerd. Indien en voor zover het hof heeft bedoeld dat ook een dergelijke jaarlijkse uitkering onmogelijk is gemaakt, is zijn beslissing onbegrijpelijk, nu het hof niet heeft gemotiveerd waarom ook een dergelijke jaarlijkse uitkering onmogelijk is gemaakt.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Incidentele Grief 17
Ad incidentele grief 17
kunnendat verklaren, is typerend voor de wijze waarop de man al zijn schrifturen inricht. De vrouw verzoekt uw Hof aan deze grief voorbij te gaan.”
onder 1in dat het hof de vrouw, gelet op haar verweer dat voor haar niet duidelijk is waartegen deze ‘grief’ zich richt, ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zich hierover (nader) uit te laten toen het hof voornemens was deze grief als een toelaatbare eiswijziging aan te merken.
kunnenverklaren.
onder 2in dat althans het impliciete oordeel van het hof dat het (kennelijk) van de vrouw gevergd kon worden in incidentele grief 17 een toelaatbare vermeerdering van het verzoek van de man te lezen, en daarop in haar verweerschrift in incidenteel appel te reageren, onbegrijpelijk is. Uit het procesverloop blijkt immers dat de man in eerste aanleg (uitsluitend) een gebruiksvergoeding ter zake [A-straat 2] had gevorderd, en niet (ook) ter zake [A-straat I] . Door een grief te richten tegen het rechtbankvonnis en niet te vermelden dat hij zijn verzoek vermeerderde, heeft de man de vrouw op het verkeerde been gezet. Dit is eens te meer het geval, nu de man bij de mondelinge behandeling uitsluitend heeft gesproken over de door hem verzochte gebruiksvergoeding ter zake de voormalige echtelijke woning ( [A-straat 2] ), en uit het proces-verbaal blijkt dat niet is gesproken over het toekennen van een gebruiksvergoeding ter zake [A-straat I] .
onder 3in dat het oordeel van het hof dat de vrouw de stellingen van de man die hij ten grondslag legt aan de vermeerdering van zijn verzoek niet inhoudelijk en gemotiveerd heeft betwist, onbegrijpelijk is. De vrouw heeft immers aangegeven dat de man onvoldoende stelt voor toewijzing van de door hem gevorderde gebruiksvergoeding, nu hij slechts aangeeft “de bewoners
kunnendat verklaren”, maar – dus – verder zijn stellingen op geen enkele wijze met stukken onderbouwt. Bovendien heeft de vrouw gesteld dat alleen zij rente heeft betaald over de hoofdschuld bij de ABN AMRO vanaf de peildatum van 1 januari 2008 tot 1 augustus 2011, terwijl de man nog heel lang de volledige huur van de [A-straat III] ontvangen heeft.
kanleveren van (een deel van) die stellingen (kennelijk bedoelt de vrouw te zeggen:
maar dit niet doet), is daarvoor onvoldoende. Het houdt immers überhaupt geen betwisting in van de stellingen van de man, maar hoogstens een betwisting van het feit dat hij die stellingen zou kunnen bewijzen, terwijl bewijsvoering niet aan de orde is (gelet op de tweede volzin van art. 149 lid 1 Rv Pro. in beginsel ook niet aan de orde mag komen) als een voldoende betwisting ontbreekt. De vrouw heeft ook niet aangevoerd dat de man onvoldoende heeft gesteld voor toewijzing van de door hem gevorderde gebruiksvergoeding (en ook zonder meer valt niet in te zien dat de man zijn verzoek – nog los van enige betwisting – reeds onvoldoende zou hebben onderbouwd). Een onderbouwing met stukken is daarvoor in ieder geval niet zonder meer vereist. Genoemde stellingen van de vrouw – dat de vrouw van 1 januari 2008 tot 1 augustus 2011 alleen de rente heeft betaald over de hoofdschuld en dat de man nog heel lang de volledige huur van de [A-straat III] ontvangen heeft – kan niet afdoen aan het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding voor de [A-straat I] en [A-straat II] , maar zou hooguit kunnen leiden tot een bepaalde verrekening van aan elkaar verschuldigde bedragen.
Stb. 2017, 115). De Hoge Raad heeft in die situatie (waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt dient te worden genomen) overwogen dat indien op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal in de B.V. aanwezig is om én het aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om de met het aandeel van de tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak te dekken, het tekort
in beginselzal moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig de Wet leidt (rov. 3.4.5). De Hoge Raad heeft aldus geoordeeld omdat het recht op pensioenverevening blijkens de regeling in de Wet berust op het uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het pensioen dat gedurende de deelnemingsjaren tussen huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding door een van hen is opgebouwd, en dus evenredig met de duur van het huwelijk (rov. 3.4.2), dat dit wettelijke uitgangspunt onverkort van toepassing is indien een verplichting tot afstorting van het voor het aandeel van de ander benodigde kapitaal bij een externe pensioenverzekeraar bestaat, en omdat alleen aldus (dus met de in rov. 3.4.5 bedoelde verdeling van het tekort) voldoende recht gedaan wordt aan het uitgangspunt dat de aanspraken van partijen (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd.
(volledige) afstortingvan het aandeel van de man bij een externe verzekeraar betrof (die in de onderhavige zaak niet meer aan de orde is) – en uit die zaak niet blijkt of er ook sprake van was dat de B.V. en/of de vrouw ook een periodieke uitkering van het aan de beide echtgenoten toekomende pensioen feitelijk niet kon(den) verrichten – was, - mijns inziens belangrijker- in die zaak géén sprake van een situatie waarin kon worden gezegd dat de B.V. en/of zijn bestuurder en enig aandeelhouder door eigen toedoen de situatie heeft/hebben veroorzaakt waarin de voorheen bestaande pensioenvoorziening ontoereikend is geworden en de pensioenverplichtingen (op het tijdstip van scheiding) niet meer (volledig), of zelfs in het geheel niet meer kunnen worden nagekomen. Dat acht ik een belangrijk verschil, dat het oordeel van het hof kan rechtvaardigen om het in de beschikking van de Hoge Raad genoemde beginseluitgangspunt (althans een daarmee vergelijkbaar uitgangspunt voor het geval geen sprake kan zijn van afstorting), voor zover dat uitgangspunt in het onderhavige oordeel al aan de orde zou zijn, in dit geval los te laten [22] , althans om
in ieder gevalhet door de vrouw gedane verzoek om te bepalen dat de B.V en/of de directeur-grootaandeelhouder van de onderneming (de vrouw) niet tot verevening van enig pensioen met de man verplicht of gehouden is, af te wijzen (zoals het hof hier heeft gedaan). Immers heeft het hof ook het door de man gedane (meer) subsidiaire verzoek om de vrouw en/of de B.V. te veroordelen om aan hem (vanaf de pensioendatum van de vrouw) een jaarlijks pensioen ter grootte van (zijn volledige aandeel van) € 16.289,- uit te betalen,
niettoegewezen, en daarmee dus in ieder geval óók niet, althans niet met zoveel woorden, geoordeeld dat de vrouw en/of de B.V. het gehele aandeel van de man in de pensioenvoorziening, ook als dat ten koste zou gaan van haar eigen aandeel in dat pensioen, aan de man moet uitkeren. Het heeft, als gezegd, slechts met zoveel woorden geoordeeld over het verzoek van de vrouw, en als eindoordeel gegeven dat niet kan worden gezegd dat de vrouw en/of de B.V.
niet(meer) tot verevening van enig pensioen met de man is gehouden.