Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot 120 uren werkstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als nader in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de gehele bewezenverklaarde periode wetenschap van en opzet heeft gehad op de in de door hem gehuurde woning aangetroffen hennepkwekerij.
in de periode van 23 augustus 2014 tot en met 18 november 2014 te Rotterdam opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
muffe lucht” op 18 november 2014 is binnengetreden in een woning aan de [a-straat 1] te Rotterdam. Van een hoger gelegen verdieping kwam het geluid van ventilatie, en was warmte en licht afkomstig. Op deze verdieping werd (verspreid over twee ruimtes) een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen van in totaal bijna 300 planten. Een medewerker van Stedin Netbeheer BV concludeerde op basis van de door hem waargenomen vervuiling, en met name (1) de dikke laag stof op de kappen van de assimilatielampen, (2) de vervuiling van het filtermateriaal in de koolstoffilters, en (3) de dikke laag kalkaanslag op het zeil op de vloer, dat (1) de lampen al langere tijd aanwezig waren, (2) de filters meer hennepoogsten in werking moeten zijn geweest, resp. (3) de hennepkwekerij langdurig in bedrijf is geweest. De verdachte is sedert 6 november 2012 de huurder van het pand.
Ik heb ook daadwerkelijk op dat adres gewoond,” aldus de verdachte. Bij de politie verklaarde de verdachte op 18 november 2014:
Ik heb de woning aan de [a-straat 1] te Rotterdam al twee jaar als huurder. Toen ik vorige week terugkwam uit Polen was ik verbaasd toen ik die hennepkwekerij ontdekte. Die twee personen, die in mijn woning verbleven als ik in Polen verbleef, kwamen echter niet opdagen. Ik ben niet naar de politie gegaan omdat ik bang was voor die twee mensen.”
Namens de raadsvrouw is overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen, welke in het strafdossier zijn gevoegd, naar voren gebracht dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdachte heeft immers verklaard ten tijde van de ten laste gelegde periode niet in Nederland te zijn geweest en ook overigens ontkent hij met de kwekerij te maken te hebben gehad. Het hof gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.
uitsluitendover het ontbreken van bewijs voor het opzet gericht op het telen van hennep
over de gehele bewezenverklaarde periode. Bewezen verklaard is zoals gezegd het opzettelijk telen van hennep “
in” de periode van 23 augustus 2014 tot en met 18 november 2014. Daarin ligt de mogelijkheid besloten dat het opzet van de verdachte slechts de laatste week van die periode bestrijkt. Om die reden faalt het middel.
tweede middelklaagt over de afwijzing van het verzoek om aanhouding van de behandeling van de hoofdzaak (en de ontnemingszaak).
De verdachte legt op vragen van de voorzitter de volgende verklaring af.
mogelijkheiddat de verdachte beschikte over documenten waarvan de inhoud zijn stellingen zouden kunnen onderbouwen. Daarbij zij aangetekend dat de verdachte op het moment van dit verzoek méér dan twee jaar de gelegenheid voor het achterhalen van die documenten (die zich voor een belangrijk deel thuis zouden bevinden) onbenut had gelaten, waardoor onzeker was of die documenten überhaupt bestonden c.q. nog in het bezit van de verdachte waren, en terwijl bovendien blijkens het verhandelde ter terechtzitting kwestieus was of de inhoud van die documenten geëigend was het gestelde te schragen.