ECLI:NL:PHR:2018:1165

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 2018
Publicatiedatum
16 oktober 2018
Zaaknummer
17/03838
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 132 lid 4 WVW 1994Art. 3:41 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering kennis ongeldigverklaring rijbewijs

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op het feit dat het besluit tot ongeldigverklaring per aangetekende brief aan de verdachte was verzonden.

De verdachte stelde cassatie in met het middel dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd, met name dat niet kon worden afgeleid dat hij redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad onderschreef dit standpunt en stelde dat de enkele omstandigheid van verzending van een aangetekende brief niet voldoende is om kennis aan te nemen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde beoordeling. Tevens werd vastgesteld dat uit de bewijsvoering niet kon worden afgeleid dat na de ongeldigverklaring geen ander rijbewijs was afgegeven. De zaak kent samenhang met een andere zaak (17/03810).

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 17/03838
Zitting: 4 september 2018
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 14 juli 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Er bestaat samenhang met de zaak 17/03810. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 11 december 2015 te Rotterdam terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Crooswijkseweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal ZSM Artikel 9 WVW Pro van de Politie Eenheid Rotterdam d.d. 22 december 2015. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als relaas van de opsporingsambtenaren:
Op 11 december 2015 te 02:00 uur, zag ik, verbalisant [verbalisant] , op de Crooswijkseweg te Rotterdam, een persoon een motorrijtuig besturen.
Verdachte gaf mij op te zijn genaamd:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990.
Voertuig: Personenauto
Voor het besturen van bovenstaand voertuig is een rijbewijs
vereist van de categorie:
AM
B
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
Na bevraging van de rijbewijsgegevens bleek dat betrokkene meerdere keren is aangehouden voor het rijden onder invloed. Rijbewijs is ongeldig verklaard door het CBR. Na opvraging dossier CBR blijkt dat betrokkene meerdere brieven aangetekend heeft ontvangen waarin stond dat hij een cursus moest volgen. Betrokkene heeft eerst niet betaald en daarna wel en daarna is hij niet geweest. Er zit ook een aangetekende brief bij, met de mededeling dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.
2. Een geschrift, zijnde een uitdraai BVI-IB uit de informatiesystemen van de politie d.d. 11 december 2015. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
3. Een geschrift, zijnde een aangetekend schrijven gericht aan verdachte van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, d.d. 19 oktober 2015, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1], teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid. Het houdt onder meer in:

AANTEKENEN

[verdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
Op 18 maart 2015 hebben we u een brief gestuurd. In die brief staat dat u een cursus over alcohol en verkeer moet volgen. Helaas heeft u de cursus niet, of niet op tijd betaald. U heeft de cursus dus ook niet gevolgd. Daarom hebben we besloten uw rijbewijs ongeldig te verklaren. U mag niet meer rijden vanaf 26 oktober 2015. In deze brief leest u waarom we dit besluit genomen hebben en wat dit voor u betekent.
U mag uw rijbewijs niet meer gebruiken. Stuur daarom uw rijbewijs op naar: CBR divisie Rij geschiktheid, afdeling Vorderingen, Postbus 3012, 2280 GA in Rijswijk.”
7. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Allereerst wordt geklaagd dat het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was vanaf 26 oktober 2015, aangezien uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt of en zo ja wanneer het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan de verdachte bekend is gemaakt.
8. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddel 3, heeft kunnen afleiden dat het besluit tot ongeldigverklaring op 19 oktober 2015 aangetekend aan de verdachte is toegezonden en aldus aan de verdachte is bekendgemaakt [1] , zodat de ongeldigverklaring op grond van art. 132 lid 4 WVW Pro 1994 met ingang van 26 oktober 2015 van kracht is geworden. De bewezenverklaring is aldus in zoverre voldoende met redenen omkleed.
9. Verder wordt geklaagd dat het hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de verdachte op 11 december 2015 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
10. Aan de Hoge Raad is reeds in diverse zaken de vraag voorgelegd of uit de gebezigde bewijsmiddelen kon volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Zo oordeelde de Hoge Raad dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan het juiste adres van de verdachte was verzonden niet kon volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. [2] De omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan hem was verzonden en niet retour was gekomen naar het CBR was daartoe evenmin voldoende. [3]
11. In de onderhavige zaak houden de gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot de wetenschap van de verdachte niet meer in dan dat het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aangetekend aan de verdachte is toegezonden. Daaruit kan gelet op de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad echter niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De bewezenverklaring is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel in zoverre terecht is voorgesteld.
12. Ten slotte klaagt het middel dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat, zoals bewezenverklaard, na de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven. Dat kan inderdaad niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgen. Het middel is ook in zoverre terecht voorgesteld.
13. Het middel slaagt.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. art. 3:41 lid 1 Awb Pro.
2.HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2776.
3.HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3115.