Conclusie
middelkomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van strafvorderlijk beslag.
Feiten
Inhoud van het beklag en standpunt van de klager
Ontvankelijkheid
ten behoeve van strafvordering’’.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een beklag van klager tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn klaagschrift ex art. 552a Sv, gericht op opheffing van beslag op een geldbedrag dat tijdens een insluitingsfouillering werd veiliggesteld.
Klager werd op 20 september 2016 staande gehouden en overgebracht naar een politiebureau op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tijdens een insluitingsfouillering werden onder meer een paspoort, veters, een telefoon en een portemonnee met €1.720 veiliggesteld. Klager stelde eigenaar te zijn en voerde aan dat geen strafvorderlijk beslag was gelegd, terwijl hij hinder ondervond omdat hij niet over het geld kon beschikken.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat geen sprake was van strafvorderlijk beslag. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel, onder verwijzing naar de wettelijke kaders dat alleen voorwerpen die ten behoeve van strafvordering in beslag zijn genomen, onder art. 552a Sv vallen. De insluitingsfouillering is geen strafvorderlijke inbeslagneming, ook al zijn voorwerpen tijdelijk in bewaring genomen.
De Hoge Raad benadrukt dat bij insluitingsfouillering veiligheidsmaatregelen worden genomen, zoals het afnemen van veters, zonder dat dit beslag in strafrechtelijke zin is. Klager kan zijn geld terugvragen via de politie, civiele rechter of Nationale ombudsman, maar niet via de beklagprocedure ex art. 552a Sv.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het vonnis van de rechtbank Rotterdam in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen sprake is van strafvorderlijk beslag en de beklagprocedure ex art. 552a Sv niet openstaat.