ECLI:NL:PHR:2018:1232

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 november 2018
Publicatiedatum
2 november 2018
Zaaknummer
18/00021
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83 SrArt. 83a SrArt. 140a SrArt. 176a SrArt. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelneming terroristische organisatie Liwa al-Tawhid wegens ontbreken terroristisch oogmerk

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij tussen 1 maart 2013 en 1 oktober 2015 in Syrië deelnam aan terroristische organisaties zoals Al Qaida, Islamitische Staat (IS) en Liwa al-Tawhid, met het oogmerk terroristische misdrijven te plegen. Het hof sprak de verdachte vrij voor de periode vanaf januari 2014, omdat hij toen niet meer in Syrië verbleef, en voor de periode daarvoor wegens onvoldoende bewijs dat Liwa al-Tawhid een terroristisch oogmerk had.

Het hof oordeelde dat hoewel de verdachte lid was van Liwa al-Tawhid en daar als bewaker actief was, deze organisatie in de relevante periode niet kon worden aangemerkt als een terroristische organisatie zoals bedoeld in art. 140a Sr. Dit oordeel was gebaseerd op een kennisdocument, het ontbreken van Liwa al-Tawhid op sanctielijsten en de aard van de samenwerkingsverbanden met andere strijdgroepen.

De verklaringen van de verdachte en getuigen, foto's en social media berichten waren onvoldoende om deelname aan Al Qaida of IS te bewijzen. WhatsApp-berichten en video-opnames die de verdachte als jihadstrijder identificeerden, dateren van na zijn verblijf in Syrië en konden niet worden meegewogen.

De Hoge Raad bevestigde dat deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk vereist dat het oogmerk gericht is op het plegen van specifieke terroristische misdrijven, en dat dit niet was vastgesteld voor Liwa al-Tawhid in de relevante periode. Het cassatieberoep werd verworpen en de vrijspraak gehandhaafd.

Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat Liwa al-Tawhid in de relevante periode een terroristisch oogmerk had.

Conclusie

Nr. 18/00021
Zitting: 13 november 2018
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 12 december 2017 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van onderdeel F van de tenlastelegging (bij gebreke van rechtsmacht) en wat betreft de onderdelen A t/m E de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde, kort gezegd deelneming aan een terroristische organisatie (Al Qaida en/of Islamitische Staat, althans een terroristische Jihadistische strijdgroep) in de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 oktober 2015 in Syrië (zie nader hieronder randnummer 4). [1] Voorts heeft het hof de vordering tot gevangenneming afgewezen.
2. Namens het openbaar ministerie heeft mr. R.J.P. Lambrichts, advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag, tijdig beroep in cassatie ingesteld. De advocaat-generaal bij het ressortsparket mr. H.H.J. Knol heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep is door mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam, schriftelijk tegengesproken.
3. Het
middelklaagt dat ‘s hofs overwegingen ten aanzien van de vrijspraak van de verdachte onderling tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk zijn en het oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van deelneming aan een terroristische organisatie niet kunnen dragen.
4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij in of omstreeks 01 mrt 2013 tot en met 01 okt 2015 te Syrië, met een of meer anderen,
heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Al Qaida en/of Islamitische Staat, althans een terroristische Jihadistische strijdgroep, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo Pro 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek Pro van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96 lid 2) en/of
F. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie).”
5. Voor zover naar het oordeel van het hof ter zake van het tenlastegelegde in Nederland rechtsmacht bestaat (de onderdelen A t/m E), heeft het hof, als gezegd, de verdachte daarvan vrijgesproken. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:

Beoordeling van de tenlastelegging
Standpunt van de verdediging
1. De verdediging bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde zoals in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota nader is toegelicht.
Alhoewel het in de visie van de verdediging volkomen begrijpelijk is dat het Openbaar Ministerie de verdachte heeft gearresteerd en onderzoek heeft gedaan naar zijn uitlatingen, heeft de verdediging geen enkel begrip voor een veroordeling. De uitlatingen kunnen immers vanuit de
pseudologia fantasticadan wel vanuit compensatiegedrag/stoerdoenerij worden verklaard en zijn derhalve onbetrouwbaar. Er is geen bewijsmiddel dat concreet iets zegt over de deelname aan de organisatie Al Qaida. De verdachte heeft enkel af toe zijn wijk in Aleppo bewaakt voor het Vrije Syrische Leger (verder: VSL).
2. Met betrekking tot het lid zijn van Liwa al-Tahid wordt als primair standpunt ingenomen dat het bewijsminimum daarvoor niet wordt gehaald. Als subsidiair standpunt neemt de verdediging het standpunt in dat Liwa al-Tawhid geen terroristische organisatie is. Als meer subsidiair standpunt wordt betoogd dat mocht de samenwerking met bepaalde bataljons tot de slotsom nopen dat Liwa al-Tawid wel een terroristische organisatie is, die samenwerking dateert van na het vertrek van de verdachte uit Syrië.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
3. Het Openbaar Ministerie neemt het standpunt in dat kan worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk, meer in het bijzonder dat Liwa al-Tawhid kan worden aangemerkt als een jihadi-salafistische organisatie dan wel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een jihadi-salafistische organisatie.
De ten laste gelegde periode en plaats
4. In de tenlastelegging wordt de plaats waar het ten laste gelegde feit zou zijn begaan, beperkt tot het grondgebied van Syrië. De ten laste gelegde periode strekt zich uit van 1 maart 2013 tot en met 1 oktober 2015.
5. Gelet op de plaats van de tenlastelegging ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde periode in zijn totaliteit kan worden bewezen.
6. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.
7. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in januari 2014, kort nadat zijn broers op 20 december 2013 waren overleden, vanuit Syrië naar Turkije is vertrokken. De verdachte is na verloop van tijd vanuit Turkije, via verschillende landen, uiteindelijk in Nederland, terechtgekomen waar hij tot op heden nog steeds verblijft. De moeder van de verdachte heeft deze verklaring telefonisch bevestigd tegenover de raadsheer-commissaris op 16 augustus 2017 in zoverre, dat zij heeft verklaard dat – nadat haar zonen waren vermoord – zij de verdachte meteen naar Turkije heeft laten vluchten en dat de verdachte daarna niet meer naar Syrië is teruggekeerd. De verdachte is derhalve sinds januari 2014 niet meer in Syrië geweest.
8. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte in ieder geval dient te worden vrijgesproken voor de ten laste gelegde periode vanaf januari 2014, nu de verdachte toen niet meer in Syrië verbleef.
Deelname aan Al Qaida, Islamitische Staat (IS) en/of een terroristische jihadistische strijdgroep
9. Het aan de verdachte ten laste gelegde is toegesneden op de strafbaarstelling van artikel 140a Sr.
10. Bij de beoordeling van de tenlastelegging voor zover deze ziet op de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014 dient het hof de vraag de beantwoorden of wettig en overtuigend kan worden bewezen of de verdachte te Syrië heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Al Qaida, IS althans een terroristische jihadistische strijdgroep zoals ten laste gelegd.
Betrokkenheid bij IS dan wel Al Qaida
11. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.
12. De verdachte heeft na zijn aankomst in Nederland in november 2015 verbleven op de zogenoemde Asielboot in Zaandam. Hij verbleef daar samen met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . De voornoemde getuigen hebben verklaard dat de verdachte tegen hen heeft gezegd dat hij heeft gevochten voor Al Qaida, Jabhat al-Nusra dan wel IS.
13. Daarnaast blijkt uit onderzoek naar het door de verdachte gebruikte twitteraccount dat hij in 2013 een bericht op Twitter heeft geplaatst waarin hij stelt bij Al Qaida te horen. De verdachte heeft de plaatsing van dit bericht ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd.
14. Het hof stelt vast dat zowel de verklaringen van de getuigen alsook het Twitterbericht van de verdachte uitsluitend zijn te herleiden tot uitlatingen van de verdachte zelf.
15. Het hof stelt eveneens vast dat de verklaring(en) van de verdachte dat hij deelnam aan Al Qaida, Jabhat al- Nusra dan wel aan IS in onvoldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs en overweegt hiertoe het volgende.
16. Door het Openbaar Ministerie is gewezen op de in de telefoon van de verdachte aangetroffen foto's. Op de foto's is de verdachte te zien. De verdachte houdt daarbij diverse typen (zware) vuurwapens vast. De verdachte draagt op een tweetal foto's kleding die ook wordt gedragen in enkele propagandavideo's en op foto's van zowel Jabhat al-Nusra als IS.
17. Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is het hof van oordeel dat uit de voornoemde door de verdachte op de foto's gedragen kleding in dit verband geen conclusies kunnen worden getrokken, nu ook de deskundige Jolen in een deskundigenbericht terzake verklaart geen conclusies te kunnen verbinden aan deze kleding voor zover het zou gaan om aansluiting bij de reeds genoemde terroristische organisaties. Ook overigens zijn de foto's met betrekking tot het antwoord op de vraag of de verdachte aan (een van deze) organisaties heeft deelgenomen, onvoldoende eenduidig.
18. Ten aanzien van de overige foto's die zijn aangetroffen op de laptop van de verdachte, is het hof van oordeel dat onvoldoende duidelijk is wat de herkomst is van de foto's, wie de foto's heeft gemaakt en wanneer de foto's zijn gemaakt. Ook nader onderzoek hiernaar heeft hieromtrent onvoldoende uitsluitsel kunnen brengen.
19. Het Openbaar Ministerie acht ook het volgende van belang voor een bewezenverklaring.
Uit het dossier volgt dat op de bij de verdachte in gebruik zijnde telefoon via de applicatie WhatsApp door de verdachte is onderhandeld met een persoon aangeduid met 'Abu Dujaana Jabhat An-Nusra (Nusra Front)' over de mogelijkheden van een soldaat uit het leger van het heersende regime om te deserteren (sessie 109). De verdachte heeft bevestigd deze berichten te hebben uitgewisseld met deze persoon. Deze berichten zijn over en weer verzonden gedurende de maand september van 2015. Voorts zijn op de bij de verdachte in gebruik zijnde telefoon via de applicatie WhatsAppberichten uitgewisseld in de periode van augustus tot en met november 2015 waarin onder andere door de verdachte wordt verklaard dat hij 'jihadstrijder' en 'van Al Qaida' was (sessie 95).
20. Op de voornoemde telefoon is een video-opname aangetroffen waarop de verdachte samen met een ander persoon een lied van Jabhat al-Nusra zingt. Deze opname en WhatsAppsessies dateren uit de periode nadat de verdachte in Nederland was aangekomen.
21. Het hof overweegt dat deze WhatsAppgesprekken (sessie 5 en sessie 109) en de video-opname (volgnummer 8) buiten de periode vallen waarin de verdachte in Syrië verbleef en derhalve evenmin kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van de aan de verdachte verweten gedragingen die hij ten tijde van zijn verblijf in Syrië zou hebben gepleegd.
22. Nu voldoende steunbewijs ontbreekt, dient de verdachte naar het oordeel van het hof te worden vrijgesproken voor – kort gezegd – deelname aan IS dan wel Al Qaida.
Betrokkenheid bij het VSL dan wel Liwa al-Tawhid
23. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.
24. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij hoorde bij de eenheid Liwa al-Tawhid van het VSL, dat hij was belast met toezicht houden en dat hij daarvoor werd betaald. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep hierover verklaard dat hij heeft gewerkt als bewaker in Aleppo, zijn woonplaats. Dit werk hield in dat hij samen met anderen gewapend patrouilleerde om de buurt te beschermen tegen criminelen. Het doel was te voorkomen dat 's nachts en overdag de huizen werden geplunderd.
25. De verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder. Zij heeft op 16 augustus 2017 telefonisch bevestigd tegenover de raadsheer-commissaris dat haar zoon lid was van het VSL en dat zij deze strijdgroep Liwa al-Tawhid noemden. Ook heeft de moeder van de verdachte bevestigd dat het VSL de verdachte een wapen gaf om de wijk te bewaken.
26. Uit het kennisdocument inzake Liwa al-Tahwid d.d. 16 oktober 2017 opgesteld door dr. J. Jolen volgt dat deze brigade in 2013 actief was in de provincie Aleppo te Syrië waarin ook de stad Aleppo is gelegen.
27. De verdachte heeft verklaard ten tijde van de ten laste gelegde feiten in de stad Aleppo te hebben gewoond. Dit vindt bevestiging in het dossier.
28. Het hof gaat er, gelet op het voorgaande, met het Openbaar Ministerie en de verdachte van uit dat de verdachte in 2013 in Aleppo lid was van Liwa al-Tawhid.
29. Het hof overweegt voorts dat voor een bewezenverklaring van een op artikel 140a Sr toegesneden tenlastelegging moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of het VSL dan wel Liwa al-Tawhid kan worden aangemerkt als een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 140a Sr.
30. Het Openbaar Ministerie heeft het standpunt ingenomen dat samenwerking op enigerlei moment van Liwa al-Tawhid met o.a. Jabhat al-Nusra en andere jihadi-salafistische organisaties in de ten laste gelegde periode in het onderhavige geval er toe moet leiden dat ook Liwa al-Tawhid zou moeten worden gezien als een jihadi-salafistische organisatie (het hof begrijpt: een terroristische jihadistische strijdgroep zoals ten laste gelegd).
31. Het hof stelt vast dat het VSL en Liwa al-Tawhid ten tijde van het ten laste gelegde feit niet voorkwamen op de VN-sanctielijst of de EU-sanctielijst. Hetzelfde geldt voor de Nationale sanctielijst terrorisme.
32. Ten aanzien van het VSL is het hof van oordeel dat ook overigens niet is gebleken dat het een terroristische organisatie betrof in de periode van 1 maart 2013 tot januari 2014.
33. Met betrekking tot de organisatie Liwa al-Tawhid stelt het hof op grond van het voornoemde kennisdocument – voor zover van belang gelet op de nog aan de orde zijnde ten laste gelegde periode – over Liwa al-Tawhid het volgende vast.
34. Liwa al-Tawhid werd in juli 2012 opgericht in Aleppo. Deze organisatie opereerde toen onder de vlag van het VSL. Dat is in de loop der tijd veranderd. Liwa al-Tawhid is uitgegroeid tot een opzichzelfstaande politieke en militaire beweging, toen het VSL aan invloed inboette en zijn eigen koers koos.
35. Binnen het VSL werd Liwa al-Tawhid in 2012 in het islamitisch spectrum geplaatst, maar de brigade zelf verenigde een breed spectrum aan politieke en religieuze ideologieën. In 2012 leken binnen Liwa al-Tawhid de religieuze voorkeuren van bataljon tot bataljon te verschillen. Tot de brigade behoorden in augustus 2012 zowel bataljons die de bescherming van alle religies garandeerden als bataljons met een salafistische signatuur.
36. In de jaren na de oprichting van Liwa al-Tawhid, maakte de brigade deel uit van verschillende en elkaar opvolgende samenwerkingsverbanden van strijdgroepen die actief waren in de strijd tegen het Syrisch regime.
37. In januari 2013 maakt Liwa al-Tawhid bekend toe te treden tot de in september 2012 opgerichte coalitie van strijdgroepen Jabhat Tahrir Suriyya al-Islamiyya, ook bekend als het Syrian Islamic Liberation Front (SILF). Dit (losse) samenwerkingsverband bestond bij oprichting uit een twintigtal strijdgroepen die alle in naam waren verbonden aan het VSL. Eind september 2013 werd door een elftal strijdgroepen in Syrië een verklaring uitgegeven, waarin zij afstand namen van de Syrische Nationale Coalitie die ook werd gesteund door het VSL. Hiermee leken de ondertekenaars – waaronder dus Liwa al-Tawhid – verder afstand te nemen van het VSL. Ook al eerder die maand had Liwa al-Tawhid aan deze wens tot verwijdering uitdrukking gegeven door aan te geven het hoogste militaire commando van het VSL niet meer te erkennen. In die periode werd ook melding gemaakt dat Liwa al-Tawhid Jabhat al-Nusra zag als partner in de strijd tegen het regime van president Assad. Dat volgt ook uit eerdere samenwerking van Liwa al-Tawhid en Jabhat al-Nusra op het slagveld bij eerdere gelegenheden vanaf december 2012. In november 2013 werd al-Jabhat al-Islamiyya (het Islamitisch Front) opgericht. Doel was een politiek, militair, sociaal en onafhankelijk front om het regime van Assad omver te werpen en een rechtvaardige islamitische staat te bouwen, waarin de soevereiniteit alleen aan Allah toebehoorde. Het was de start van een geleidelijk samengaan van facties, waaronder Liwa al-Tawhid.
38. Het hof overweegt dat, gelet op het dossier, in het bijzonder het hiervoor verkort weergegeven kennisdocument, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden vastgesteld dat Liwa al-Tawhid in de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014 het oogmerk had terroristische misdrijven te plegen. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat Liwa al-Tawhid in die periode een jihadistische terroristische organisatie was.
39. Het hof komt tot de slotsom dat de verdachte weliswaar heeft deelgenomen aan activiteiten van Liwa al-Tawhid, maar dat deze organisatie in die periode niet kan worden aangemerkt, als een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr.
Conclusie
40. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte heeft deelgenomen aan activiteiten van een op het plegen van terroristische misdrijven gericht samenwerkingsverband en dat hij gedragingen heeft ondersteund die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met het binnen de organisatie bestaande oogmerk.
41. Het voorgaande betekent dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof spreekt de verdachte vrij van het hem ten laste gelegde.”
6. De voor mijn bespreking van het middel van belang zijnde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht luiden als volgt:
-
Art. 83 Sr Pro:
“Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:
1°. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;
2°. elk van de misdrijven waarop ingevolge de artikelen 114a, 114b, 120a, 120b, 130a, 176a, 176b, 282c, 289a, 304a, 304b, 354a, tweede lid, 415a en 415b, alsmede artikel 80, derde lid, van de Kernenergiewet gevangenisstraf is gesteld;
3°. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 140a, 282b, 285, derde lid, en 288a, alsmede in artikel 55, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de economische delicten, artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik en artikel 79 van Pro de Kernenergiewet.”
-
Art. 83a Sr:
“Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.”
-
Art. 140a Sr:
“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Het vierde lid van artikel 140 is Pro van overeenkomstige toepassing.”
7. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de hierboven weergegeven vaststellingen van het hof meebrengen dat Liwa al-Tawhid het oogmerk had om een overheid – het Syrische regime van president Assad – wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke en constitutionele structuren van een land te ontwrichten of te vernietigen als bedoeld in art. 83a Sr en dat deze organisatie dus een terroristisch oogmerk had in de zin van die bepaling. Naar de opvatting van de steller van het middel is om deze reden niet begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat Liwa al-Tawhid in de periode dat de verdachte aan deze organisatie deelnam (1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014) het oogmerk had terroristische misdrijven te plegen en dat derhalve niet kan worden vastgesteld dat Liwa al-Tawhid in die periode een jihadistische terroristische organisatie was.
8. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet terroristische misdrijven [2] blijkt dat de bestanddelen van art. 140a, eerste lid, Sr op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd als de overeenstemmende bestanddelen van art. 140, eerste lid, Sr. [3] De verdachte moet in de eerste plaats “deelnemen”. Deze “deelneming” aan de organisatie vergt dat de verdachte betrokken is bij het samenwerkingsverband en daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk. [4] Het delictsbestanddeel verlangt ook dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Ingeval de tenlastelegging is toegesneden op art. 140a Sr zal dit wetenschap van het oogmerk tot het plegen van
terroristischemisdrijven moeten zijn. [5] Wat onder “terroristische misdrijven” dient te worden verstaan, maakt het hierboven weergegeven art. 83 Sr Pro duidelijk. Veel van de in dat artikel onder 2° en 3° genoemde misdrijven bevatten het bestanddeel “terroristisch oogmerk”, terwijl art. 83, eerste lid onder 1°, de daarin aangehaalde misdrijven louter als terroristisch misdrijf classificeert indien zij met “terroristisch oogmerk” zijn begaan. Wat een “terroristisch oogmerk” is, wordt omschreven in het eveneens hiervoor aangehaalde art. 83a Sr.
9. Op deze wijze vereisen art. 140a, eerste lid, Sr en een daarop toegesneden tenlastelegging bewijs van in zekere zin een meervoudig opzetverband: het opzet van de deelnemer (weten in de zin van voorwaardelijk opzet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven), het oogmerk van de organisatie op het plegen van misdrijven en het terroristisch oogmerk tot het begaan van de misdrijven. [6] Hieruit volgt dat deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft om een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen (en zij dus een terroristisch oogmerk heeft) op zichzelf nog niet strafbaar is op grond van art. 140a, eerste lid, Sr. Een belangrijke beperking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid is erin gelegen dat het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op één of meer van de in art. 83 Sr Pro genoemde misdrijven en dat juist déze misdrijven met het hier bedoelde terroristisch oogmerk worden begaan. Dat wordt deelgenomen aan een organisatie met een in meer algemene zin laakbare ideologie, welke ideologie binnen het raam van art. 83a Sr past, is derhalve op zichzelf onvoldoende.
10. Indien en voor zover het middel berust op de opvatting dat voor het bewijs van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in art. 140a Sr voldoende is dat de verdachte deelneemt aan een organisatie die een terroristisch oogmerk als bedoeld in art. 83a Sr heeft, miskent het middel het voorgaande.
11. Voor zover het middel niet steunt op deze opvatting, gaat de steller van het middel er kennelijk van uit dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken omdat van de misdrijven waarop het oogmerk van Liwa al-Tawhid was gericht niet kan worden vastgesteld dat zij met terroristisch oogmerk werden of zouden worden begaan. In dat geval berust het middel mijns inziens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet vrijgesproken van het bestanddeel terroristisch oogmerk (art. 83a Sr), maar heeft blijkens het arrest (nr. 38) niet wettig en overtuigend bewezen bevonden dat Liwa al-Tawhid in de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014 – dit is dus niet de tenlastegelegde periode in ruime zin (1 maart 2013 tot en met 1 oktober 2015), maar, gerekend vanaf de tenlastegelegde aanvangsdatum, de periode waarin, naar het hof heeft vastgesteld, de verdachte in Syrië verbleef – het oogmerk had terroristische misdrijven te plegen (art. 83 Sr Pro), zodat deze organisatie in die periode niet kan worden aangemerkt als een terroristische organisatie als bedoeld in art. 140a Sr (waaraan de verdachte heeft deelgenomen).
12. Ik voeg daaraan nog het volgende toe. Het hof heeft zich in zijn motivering van de vrijspraak (nr. 29) nadrukkelijk de vraag gesteld of Liwa al-Thawid kan worden aangemerkt als een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in art. 140a Sr. Vervolgens heeft het hof mede aan de hand van het kennisdocument van dr. J. Jolen, de (toenmalige) VN-sanctielijst en de (toenmalige) EU-sanctielijst nauwgezet opgesomd al hetgeen het omtrent de aard en activiteiten van de organisatie Liwa al-Tawhid heeft kunnen vaststellen, meer in het bijzonder met betrekking tot de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014. In het licht daarvan heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de organisatie Liwa al-Tawhid in de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014 het oogmerk had terroristische misdrijven te plegen, dat wil zeggen niet heeft kunnen vaststellen dat deze organisatie in die periode het oogmerk had haar (vermeende) ideologische wensen te realiseren door middel van één of meer van de in art. 83 Sr Pro genoemde en in de tenlastelegging nader omschreven misdrijven.
13. De vaststellingen van het hof dat (i) Liwa al-Tawhid, in juli 2012 opgericht, uitgroeide tot een op zichzelf staande politieke en militaire beweging en (ii) deze beweging deel uitmaakte van wisselende samenwerkingsverbanden tussen “strijdgroepen die actief waren in de strijd tegen het Syrisch regime” – anders dan de steller van het middel meent, overweegt het hof niet: tegen het Syrische leger – zijn met het voorgaande niet in tegenstrijd en maken het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat het hof met betrekking tot de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014 over de aard en intensiteit van de samenwerkingsverbanden met andere organisaties niet méér heeft vastgesteld dan onder nr. 37 van het arrest is weergegeven, en naar ik aanneem niet méér heeft kunnen vaststellen. Uit de door het hof genoemde samenwerkingsverbanden blijkt hooguit iets van een zekere verbondenheid, maar niet dat deze verbondenheid overging in of tot uitdrukking kwam in een gezamenlijk oogmerk gericht op het plegen van (de tenlastegelegde) terroristische misdrijven.
14. Het oordeel van het hof dat van Liwa al-Tawhid niet kan worden vastgesteld dat deze organisatie in de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2014 het oogmerk had op het plegen van terroristische misdrijven als tenlastegelegd, is derhalve niet tegenstrijdig met de andere vaststellingen van het hof en in vergelijking daarmee niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is bovendien verweven met vaststellingen van feitelijke aard. Indien en voor zover de toelichting op het middel overigens nog over voormeld oordeel bedoelt te klagen, ontbreekt daaraan een nadere concretisering en onderbouwing. Het is dan ook ten overvloede dat ik opmerk dat blijkens het ter terechtzitting in hoger beroep gehouden requisitoir over het tenlastegelegde oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven van Liwa al-Tawhid niet echt meer is aangevoerd dan het hof heeft vastgesteld. Als ik het goed zie, is daarnaast door de advocaat-generaal enkel bloot gesteld, dus zonder verwijzing naar concrete bewijsstukken, dat er “aanwijzingen” zijn dat Liwa al-Tawhid zich schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen, oorlogsmisdrijven en beschietingen van sjiitische enclaves. [7]
15. Naar mijn inzicht kan de motivering van de vrijspraak van de verdachte deze beslissing dragen.
16. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In het herstelarrest van 15 december 2017 heeft het hof het arrest van 12 december 2017 in dier voege hersteld, dat in plaats van 1. artikel 14, sub 13, (oud) Sr in de overwegingen 2, 11, 23, 29 en 44, en 2. artikel 1, lid 2 onder e, van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht in de overwegingen 2, 30 en 44 dient te worden gelezen: 1. artikel 4, sub 13, (oud) Sr, en 2. artikel 2, lid 1 onder e, van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht.
2.Wet van 24 juni 2004 tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met terroristische misdrijven,
4.Zo over art. 140 Sr Pro HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415,
5.HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144,
6.Vgl.
7.Zie pagina 26 van het op de terechtzitting van 28 november 2017 gehouden requisitoir.