ECLI:NL:PHR:2018:1294

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2018
Publicatiedatum
16 november 2018
Zaaknummer
18/03657
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 810a lid 2 RvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging uithuisplaatsing dochter en verzoek deskundigenonderzoek afgewezen

De moeder verzocht de beëindiging van de uithuisplaatsing van haar dochter en vroeg tevens om nader deskundigenonderzoek naar haar opvoedingsmogelijkheden en die van haar nieuwe partner. De rechtbank Noord-Nederland wees dit verzoek bij beschikking van 22 december 2017 af, en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde deze beslissing op 22 mei 2018.

De moeder stelde cassatieberoep in tegen deze afwijzingen. Zij klaagde onder meer dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met gewijzigde omstandigheden, zoals de verandering van het pleeggezin en haar stabiele relatie met een nieuwe partner. Het hof oordeelde echter dat er geen nieuwe relevante omstandigheden waren die een beëindiging van de uithuisplaatsing rechtvaardigden.

Daarnaast klaagde de moeder dat het hof ten onrechte het verzoek tot nader deskundigenonderzoek had afgewezen. Het hof motiveerde dat toewijzing van dit verzoek in strijd zou zijn met het belang van de dochter, zoals bedoeld in art. 810a lid 2 Rv. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen grond voor cassatie boden en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder werd niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing en het verzoek om deskundigenonderzoek werden afgewezen.

Conclusie

Zaaknr: 18/03657
mr. M.L.C.C. Lückers
Zitting: 20 september 2018
Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[de moeder]
(hierna: de moeder),
verzoekster in cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming& Jeugdreclassering
(hierna: de GI),
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1. Deze zaak betreft in cassatie slechts nog een verzoek van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter in te trekken en de uithuisplaatsing te beëindigen. Daarbij heeft zij ook gevraagd om (nader) deskundigenonderzoek in de zin van art. 810a lid 2 Rv naar haar mogelijkheden en die van haar (nieuwe) partner tot verzorging en opvoeding van de dochter. Het verzoek is door de rechtbank Noord-Nederland bij beschikking van 22 december 2017 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft deze uitspraak bij beschikking van 22 mei 2018 bekrachtigd. De moeder heeft tijdig cassatieberoep ingesteld.
2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat laat zich als volgt – per onderdeel en in zijn algemeenheid – toelichten.
3. In cassatie wordt onder I geklaagd dat het oordeel van het hof over het verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof slechts refereert aan de overwegingen van hetzelfde hof dat een jaar eerder (bij beschikking van 11 mei 2017) in hoger beroep over de uithuisplaatsing heeft geoordeeld, en de verandering van omstandigheden die daarna plaats heeft gevonden (wijziging verblijfplaats dochter van perspectief biedend pleeggezin naar crisispleeggezin, bestendige relatie met nieuwe partner die aan opvoeding kan bijdragen) niet, of onvoldoende kenbaar, in aanmerking heeft genomen. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu het hof niet alleen heeft gerefereerd aan zijn eerdere beschikking van 11 mei 2017, maar ook (in rov. 6.3) heeft overwogen dat het in het hoger beroepschrift van de moeder en de daarop ter zitting gegeven toelichting geen (nieuwe) relevante omstandigheden leest die tot beëindiging van de uithuisplaatsing en terugplaatsing bij de moeder zouden moeten leiden dan die reeds bij de behandeling in april 2017 zijn aangevoerd en door het hof gemotiveerd zijn verworpen, en bovendien (in rov. 6.4) nog uitgebreid is ingegaan op de vraag of de omstandigheid dat de plaatsing van de dochter bij het perspectief biedende pleeggezin is geëindigd en zij thans in een tijdelijk crisispleeggezin verblijft, en de omstandigheid dat de relatie met de nieuw partner voortduurt en hij aan de opvoeding kan bijdragen, daarin nog verandering (kunnen) brengen. Deze vraag heeft het hof – gemotiveerd – ontkennend beantwoord.
4. Onder II klaagt het middel dat het hof ten onrechte het (subsidiaire) verzoek van de moeder tot nader onderzoek in de zin van art. 810a lid 2 Rv. heeft afgewezen, althans dat onbegrijpelijk is dat het hof dat verzoek gelet op de voorliggende omstandigheden heeft afgewezen, althans dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van een dergelijk in beginsel toe te wijzen onderzoek als strijdig met het belang van de dochter kan worden afgezien. Ook deze klacht kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, nu het hof (in rov. 6.5) het juiste beoordelingskader tot uitgangspunt heeft genomen en (in rov. 6.6) gemotiveerd heeft geoordeeld dat toewijzing van het verzoek in strijd met het belang van de dochter zou zijn, hetgeen een van de in art. 810a lid 2 Rv. genoemde redenen is om daarvan af te zien. De klacht geeft niet aan waarom met dit oordeel het recht (waaronder art. 8 EVRM Pro) zou zijn geschonden, anders dan door te wijzen op het belang van goed onderzoek alvorens beslissingen als hier aan de orde worden genomen (welk belang het hof in zijn algemeenheid echter niet heeft ontkend). De klacht bevat slechts algemene citaten over de maatstaf voor afwijzing van een verzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv. en verwijst (opnieuw) naar de gewijzigde omstandigheden. De verwijzing naar rov. 6.10, waarin het hof oordeelt over eenzelfde verzoek tot nader onderzoek, doch niet in het kader van het verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing, maar in het kader van het ook in deze zaak door de moeder gedane verzoek tot vervallenverklaring van een beslissing van de GI tot vaststelling van de omgang tussen moeder en dochter en tot vaststelling van een nieuwe (ruimere) omgangsregeling, is hier niet relevant, nu in cassatie nog slechts over de afwijzing van dat eerste verzoek wordt geklaagd, maar is overigens evenmin genoegzaam onderbouwd. Ook geeft de klacht niet aan waarom het oordeel onbegrijpelijk is, anders dan door verschillende opmerkingen en stellingen uit het proces-verbaal van eerste aanleg en hoger beroep over de feitelijke situatie van moeder en dochter op te nemen en daarbij te vermelden dat de huidige situatie van de moeder niet is onderzocht (welk onderzoek het hof dus in strijd heeft geacht met het belang van de dochter) en door voorts slechts op te merken
datde door het hof daarvoor genoemde redengeving onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
5. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat het cassatiemiddel in feite slechts de feitelijke beoordeling die aan het hof is voorbehouden, opnieuw aan de kaak wil stellen, en aldus om een feitelijke herbeoordeling vraagt. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats.
6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G