Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat het conservatoir beslag op vorderingen van een vleesverwerkend bedrijf (klaagster) centraal, dat door het Openbaar Ministerie is gelegd ten laste van een verdachte natuurlijke persoon in een strafrechtelijk onderzoek naar vleesfraude. De vorderingen betreffen facturen voor slachtwerkzaamheden die klaagster aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft gestuurd.
De bedrijfsstructuur van de betrokken BV's is per 31 januari 2014 heringericht, waarbij activiteiten en vermogensbestanddelen zijn overgeheveld naar nieuwe rechtspersonen, waaronder klaagster. De rechtbank handhaafde het beslag op grond van art. 94a lid 4 Sv, stellende dat de herstructurering mede tot doel had verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel te frustreren.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vorderingen van klaagster, die voortkomen uit reguliere slachtwerkzaamheden en niet rechtstreeks aan de verdachte BV's toebehoorden, met het kennelijke doel van verhaalsfrustratie aan klaagster zijn toegekomen. De motivering is ontoereikend voor het beslag dat ten laste van de verdachte natuurlijke persoon is gelegd.
Daarom wordt de bestreden beschikking vernietigd en wordt de zaak verwezen voor verdere behandeling. De conclusie van de AG benadrukt dat het beslag niet kan worden gehandhaafd zonder duidelijke aanwijzingen van kwade trouw of kennelijk doel van verhaalsfrustratie ten aanzien van de vorderingen die aan klaagster toekomen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering van het beslag op vorderingen van klaagster.