De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot twee dagen gevangenisstraf wegens mishandeling van een persoon waarbij hij meerdere keren in het gezicht had gestompt en tegen de benen had geschopt. De mishandeling vond plaats na een confrontatie waarbij de verdachte en een medeverdachte werden achtervolgd door een groep personen na het omduwen van een scooter.
De verdediging voerde in hoger beroep aan dat sprake was van noodweer, omdat de verdachte zich verdedigde tegen een dreigende groep die hem aanviel. Het hof verwierp dit beroep op noodweer, mede vanwege een onafhankelijke getuigenverklaring dat het slachtoffer de situatie juist probeerde te sussen en dat er geen directe aanval van het slachtoffer op de verdachte was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a Wet RO. Het hof had de feiten en omstandigheden voldoende gemotiveerd beoordeeld en het beroep op noodweer terecht verworpen. De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte bleef daarmee in stand.