Conclusie
middelkomt op tegen de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
en in verdovende middelen, heeft begaan. De rechtbank heeft in haar overweging betrokken het vonnis in de onderliggende strafzaak [2] en eerdergenoemd proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van
“de aangetroffen treinkaartjes bij de kasopstelling[heeft]
betrokken als wederrechtelijk verkregen voordeel dat door strafbare feiten zou zijn vergaard in plaats van als kosten die bij het genereren van wederrechtelijk verkregen voordeel zouden zijn gemaakt”. Nu uit het in voetnoot 3 van de beslissing van de rechtbank als bewijsmiddel vermelde proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel volgt
“dat het uitgangspunt is dat rekwirant[op]
14 mei 2014 (de datum van het oudste treinkaartje) en 14 oktober 2014 (de datum van het jongste treinkaartje) van Eindhoven naar Amsterdam is gereisd om daar in verdovende middelen te handelen (p. 7)”, is het onbegrijpelijk dat het hof de uitgaven die met de aanschaf van deze treinkaartjes verband houden, heeft aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Die uitgaven kunnen in het licht van dat bewijsmiddel bezwaarlijk anders worden beschouwd dan als kosten, gemaakt teneinde het wederrechtelijk verkregen voordeel te genereren, aldus de steller van het middel.