Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.De ontvankelijkheid van het principaal en het incidenteel cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
grondexclusief BTW. Wat betreft winkels en horeca met winstoogmerk wordt in die nota een
minimaleprijs genoemd van € 215,— per m2
bvo(p. 8).
minimumprijs is marginaal, nog geen 5%. Dat valt niet goed te begrijpen, niet alleen vanwege hetgeen deskundigen zelf over de ideale ligging opmerken, maar vooral ook vanwege de door Van der Valk gerealiseerde omzet. Die omzet is volgens deskundigen bepalend voor de waarde van de totale kavel maar legt kennelijk geen gewicht in de schaal waar het gaat om de grond waarop die omzet feitelijk wordt gerealiseerd. Ter illustratie: de gemeente Utrecht, vermeldt in haar grondprijzenbrief een met Zwolle vergelijkbaar minimum van € 225, maar ook een maximum van € 650 per m2 bvo. Als alleen al het gemiddelde tussen dit minimum en maximum wordt aangehouden, dan zou dat een halvering betekenen van de vierkante meterprijzen die de deskundigen aan de overige functies hebben toegekend. Ook om deze reden is de taxatie van het onteigende niet reëel.’
waarbij niet uitgegaan wordt van een bepaalde specifieke indeling van in de toekomst te realiseren parkeerplaatsen maar waarbij de eigenaar van de kavel de vrijheid heeft om toekomstige plannen, waaronder uitbreiding van de parkeerplaatsen, zo te realiseren als hij het meest passend en aantrekkelijk vindt. Deskundigen achten niet uitgesloten dat, de onteigening weggedacht, een toekomstige uitbreiding van parkeerplaatsen op andere wijze zou plaatsvinden dan thans na verkleining door de onteigening nog mogelijk is. In die zin blijven deskundigen van oordeel dat de meeste gerede koper in het vrije commerciële verkeer aan alle gronden die qua bestemming “Horecadoeleinden” en ligging als (ruwe) parkeergrond zijn aangemerkt een zelfde gemiddelde prijs zou toekennen.’
Wij denken dat waarde gehecht moet worden aan veronderstelde mogelijkheden die na een bestemmingsplanwijziging optreden, bijvoorbeeld om méér parkeerplaatsen te realiseren, bijvoorbeeld ook een tweede restaurant. Een andere bouwmogelijkheden wellicht; over 5 tot 10 jaar een McDonalds erop? Daar is geen concreet zicht op maar wij denken dat er wel zo naar wordt gekeken in het commerciële verkeeren dat een koper geen berekening maakt die de provincie uitvoerig heeft gemaakt: het concentreren van parkeerplaatsen op 10.000 m2 en voor de rest van de grond minder betalen. Naar de inschatting van de taxateurs in commissie is dat niet zo. (…)
hetgeen klinkt als “warme grond”. U vraagt hoe dit te relateren aan de peildatum. De warme grond komt een beetje terug in de waardering van groen voor € 13,00 in het kader van de op peildatum vaststaande bestemming horeca. Daarbij is ook genoemd marktverwachtingen dat de horecadoeleindenbestemming in de toekomst uitbreiding biedt, die nu niet in liet bestemmingsplan staat. Op peildatum lag duidelijk geen planwijziging in het verschiet of een verzoek daartoe.
We hebben gekeken naar de ligging dicht bij de weg en bij een bedrijventerrein en kwamen zo op de gedachte dat er, behalve méér parkeerplaatsen, mogelijk in de toekomst meer zou kunnen; de stap naar horeca is al gezet.(…)’
aanvankelijkhebben verdedigd op de grond dat de meest gerede koper voor alle grond evenveel zou willen betalen (zie het citaat hiervoor onder 4.18). Bij gelegenheid van het deskundigenpleidooi was echter gebleken dat ook de “wat warmere aard” van de gronden een rol speelde. Dat ook de rechtbank die “wat warmere aard” heeft willen verdisconteren blijkt uit de door haar aangehouden prijs voor de resterende ruwe parkeergrond van € 100,— per m2 in verband met de horecabestemming en ligging (rechtsoverweging 5.9.4). Het ging de rechtbank echter te ver om aan te nemen dat de verder weg bij het bouwblok gelegen (overige) ruwe parkeergrond geheel dezelfde waarde heeft als de 10.000 m2 in de nabijheid van het bouwblok waarvan toekomstig gebruik als parkeergrond aannemelijk is (rechtsoverweging 5.9.3). Dat oordeel is mijns inziens voldoende gemotiveerd. Het verschil tussen de door de rechtbank gehanteerde prijzen (€ 148,— en € 100,— per m2) met de door deskundigen geadviseerde eenheidsprijs (€ 147,50) is niet zodanig groot, dat dit mij op andere gedachten brengt.
tussen haakjesvan de woorden ‘met demping’ af dat de rechtbank óók heeft gedacht aan alternatieve gebruiksmogelijkheden van de waterpartij zónder demping en dus tegen veel lagere kosten, [10] mogelijk mede in verband met de grootte van de waterpartij, namelijk 10.000 m2 (dus 1 hectare). Dat de rechtbank heeft geoordeeld dat ook afgezien van zulke alternatieve gebruiksmogelijkheden de aan het water toe te rekenen waarde aanzienlijk meer dan € 0,50 per m2 behoorde te zijn vanwege de bijdrage die de waterpartij levert aan de uitstaling van het hotel, acht ik al evenmin onbegrijpelijk.
vollediggelijk is aan die van de groenvoorziening. Wat betreft het eerste: het komt veel vaker voor dat diverse elementen in één mandje worden gegooid; taxeren noch waarderen is een exacte wetenschap. Wat betreft het tweede: het sop moet de kool wel waard zijn. De rechtbank heeft verantwoord waarom zij de prijs van € 0,50 per m2 zeer aanzienlijk te laag achtte. Dat leidt tot een toerekening van € 130.000,— van de totale grondwaarde van afgrond € 13 miljoen aan de waterplas. Dat is niet meer dan (precies) 1%. Een eventuele differentiatie tussen de prijs per m2 voor groenvoorziening en die voor de waterpartij, zou op de vaststelling van de waarde aan het onteigende hoe dan ook een zeer beperkte invloed hebben. Kortom, er zijn goede redenen waarom we ons met de door de rechtbank gegeven motivering tevreden behoren te laten stellen.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep