Conclusie
Mr. P. Vlas
1.Feiten en procesverloop
loan agreement) van 15 november 2005 waarin Pavlik staat vermeld als crediteur en OPHV als debiteur, is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:
off-shore funds, on or before the date mentioned under 1. (…)
loan agreement) van 13 maart 2006, waarin Pavlik staat vermeld als crediteur en OPHV als debiteur is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
off-shore funds, on or before the date mentioned under 1. (…)
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1aan dat het hof de essentiële stellingen van OPHV c.s. dat door OPHV c.s. drie terugbetalingen zijn gedaan – door OPHV c.s. aangeduid als ‘betaling c, d en e’ – in zijn beoordeling had moeten betrekken, dan wel had moeten motiveren waarom het aan die stellingen voorbij is gegaan.
Onderdelen 2.2 t/m 2.5vormen een uitwerking van en toelichting op de klacht in onderdeel 2.1 en bevatten geen zelfstandige klacht.
productie 7a-7d. Het betreft rekeningoverzichten van een viertal trust fondsen dat [verzoeker 2] bij [betrokkene] – althans zijn trustbedrijven – aanhield, welke overzichten door of namens [betrokkene] zijn verstrekt. Indien en voor zover vereist wordt van deze stelling uitdrukkelijk nader bewijs aangeboden.
Productie 7abetreft een bij SMITCO aangehouden fonds, waarop de betaling
onder agenoemd met pijlen is aangegeven.
Productie 7bbetreft een eveneens bij SMITCO aangehouden fonds, waarop de betalingen
onder b(door Pavlik erkend) en
onder c(door Pavlik betwist) met pijlen zijn aangegeven.
Productie 7cbetreft een bij Foundation SMITCO aangehouden fonds, waarop de betalingen
onder d en emet pijlen zijn aangegeven.
Productie 7dbetreft een bij C.M. Managers aangehouden fonds, waarop de
onder fgenoemde betaling met pijlen is aangegeven.’ [6]
Onderdeel 3.1klaagt dat voor zover het hof in rov. 2.17 heeft geoordeeld dat verzuim van de hoofdschuldenaar tot verzuim van de borg leidt, dit oordeel onjuist is omdat het in strijd is met art. 7:856 lid 1 BW Pro.
Onderdeel 3.2klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof in rov. 2.17 heeft geoordeeld dat het in rechte aanspreken van een debiteur voldoende is voor het aannemen van verzuim. Verzuim ontstaat immers (althans in beginsel) alleen in de gevallen als bedoeld in art. 6:82 en Pro 6:83 BW. Het hof heeft niet vastgesteld dat zich een van de daar bedoelde gevallen voordoet, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat zich wel een van die gevallen voordoet.
Onderdelen 3.3 en 3.4voeren aan dat voor zover het hof in rov. 2.17 heeft geoordeeld dat vaststaat dat [verzoeker 2] met de indiening van het inleidend verzoekschrift in verzuim is, het hof ten onrechte de feitelijke grondslag heeft aangevuld, dan wel blijk heeft gegeven van een onbegrijpelijke lezing van de processtukken.
Onderdeel 3.5betoogt dat voor zover het hof niet heeft geoordeeld dat [verzoeker 2] in verzuim is, het oordeel dat [verzoeker 2] terecht is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente nu hij tot betaling is aangesproken, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of dat oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Het onderdeel voert aan dat de borg op grond van art. 7:856 lid 1 BW Pro slechts wettelijke rente verschuldigd is over het tijdvak dat hij zelf in verzuim is, tenzij de hoofdschuldenaar in verzuim is krachtens art. 6:83, aanhef en onder b, BW. Het hof heeft niet geoordeeld dat [verzoeker 2] terecht tot betaling van wettelijke rente is veroordeeld, omdat hoofdschuldenaar OPHV in verzuim zou zijn ter zake van een verbintenis die voortvloeit uit onrechtmatige daad of die strekt tot vergoeding van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, aldus de klacht.