Conclusie
“verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd en oplichting, meermalen gepleegd”, 2. primair
“anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd” [1] , 3.
“van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, 4.
“opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, 5.
“medeplegen van valsheid in geschrift”en 6.
“in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en drie maanden.
“inzicht verschaffen in de opzet en werking van het stelsel van woningcorporaties om te komen tot waarheidsvinding en beoordeling van het stelsel en zo bij te dragen aan ontwikkeling van toekomstig beleid”. [3] Op 6 juni 2014 is de verdachte door de PECW als getuige onder ede gehoord. Tijdens dat verhoor heeft de verdachte een verklaring afgelegd die ertoe strekt, kort gezegd, dat hij nooit geld, gunsten of steekpenningen had aangenomen. Naar aanleiding van deze verklaring wordt de verdachte er in de onderhavige strafzaak bovendien van beschuldigd dat hij meineed heeft gepleegd tijdens zijn verhoor bij de PECW. [4]
Ministerie - daar hebben wij geen inzage in - en deze parlementaire enquête. Dit is weer een heel andere rechtsgang, zal ik maar zeggen. De verdenking dat u gunsten en steekpenningen hebt aangenomen, is er wel” geantwoord: “Ze zijn me nog nooit aangeboden en ik heb ze nog nooit gevraagd.””
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 6 EVRM Pro bij de berechting van de verdachte gebruik heeft gemaakt van een bij een parlementaire enquêtecommissie onder dwang door de verdachte afgelegde verklaring ter zake van de jegens hem bestaande verdenkingen.
feiten, omdat de verklaringsvrijheid van de verdachte door die afgedwongen verklaring in ernstige mate is beperkt, aldus dit naar de kern samengevatte verweer.
“De omstandigheid dat een door een verdachte ten aanzien van een feit afgelegde verklaring invloed kan hebben op de beoordeling van de overige feiten op de tenlastelegging is op zichzelf genomen niet ongebruikelijk en maakt op zichzelf niet dat daarmee tekort wordt gedaan aan de rechten van de verdachte. In het onderhavige geval is dat niet anders. Dit is het gevolg van de door de verdachte zelf gekozen proceshouding (…)”.Het standpunt van de steller van het middel dat het hof de ten overstaan van de PECW afgelegde verklaring mede tot het bewijs van één of meer van de andere tenlastegelegde feiten heeft gebezigd, kan daaruit niet worden afgeleid en berust op een verkeerde lezing van het arrest.
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte (opzettelijk) ‘valse verklaringen’ zoals bedoeld in art. 207 Sr Pro heeft afgelegd (feit 6). De steller van het middel heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet is gevraagd of hij giften heeft ontvangen en dat de verdachte zulks ook niet heeft ontkend. De verdachte is evenwel gevraagd naar de kwalificatie van een feitencomplex, een mening dus, en heeft betoogd dat dit feitencomplex volgens hem niet kan worden gekwalificeerd als omkoping als bedoeld in art. 328ter Sr.
hebben dan in het normaal taalgebruik, faalt.