Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
überhauptniet mogelijk of te gevaarlijk is, of inschrijving op een woonadres wel mogelijk is, maar niet op
hetzelfdeadres.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2009/243 (zie onderdeel 2.13 van de bijlage). Niet gesteld is dat haar situatie vergelijkbaar is met die van binnenvaartschippers zonder vaste ligplaats die aan boord wonen en die het onderwerp zijn van het goedkeuringsbesluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 november 2011, nummer BLKB2011/1208M (zie onderdeel 2.6 van de bijlage).
stalkingdoor haar ex-partner genoodzaakt was om haar woonadres geheim te houden en om die reden met haar dochter stond ingeschreven op een briefadres. Het Hof leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat de wetgever wilde voorkomen dat beide ouders aanspraak maken op de alleenstaande-ouderkorting. In casu staat vast dat de belanghebbende en haar kind om veiligheidsredenen niet stonden ingeschreven op een woonadres maar alleen op een postadres. Het kind stond evenmin ingeschreven op het adres van de (ex-)partner, zodat toekenning aan beide ouders zich niet kan voordoen. Naar ’s Hofs oordeel strekt de term ‘woonadres’ in art. 8.15 Wet IB niet zo ver dat deze ook geldt voor gevallen waarin de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) en de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) uitdrukkelijk voorzien in inschrijving op een briefadres om veiligheidsredenen:
NTFR2018/1172) kan prima leven met ’s Hofs uitspraak, ook al meent hij dat de heldere wettekst terzijde wordt geschoven:
V-P bulletin(2018/47) lijkt het erop dat het Hof de innerlijke waarde en de billijkheid van de wet heeft beoordeeld:
3.Het geding in cassatie
verweeronderschrijft de belanghebbende ’s Hofs uitspraak, die volgens haar uitgaat van een juiste rechtsopvatting. Bij vasthouden aan de wettekst zou de groep waartoe de belanghebbende behoort financieel benadeeld worden, uitsluitend omdat die groep gevaar loopt. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de belanghebbende financieel te nopen om zichzelf en haar minderjarige dochter aan gevaar bloot te stellen.
4.Behandeling van het middel
quod non) en hen hebben willen uitsluiten omdat hij dat bureaucratisch praktischer vond, dan zou hij bedreigde alleenstaande ouders bewust hebben willen benadelen hoewel juist zij voldoen aan de bedoeling die diezelfde wetgever had met de alleenstaande-ouderkorting (ondersteuning van alleenstaande ouders die het (bepaald extra) moeilijk hebben). Deze puur grammaticale wetsuitleg van de Staatssecretaris lijkt mij daarom de minst waarschijnlijke, mede gegeven dat de Staatssecretaris niet opheldert welk uitvoeringsbelang of andere redelijkerwijs aan de fiscale wetgever toe te dichten wens in casu met die uitleg gediend zou zijn, en gegeven dat de bewijslast dat door de wetgever niet-gewenste uitvoeringsproblemen zich niet kunnen voordoen, op de belanghebbende rust.