Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
bestuurdersen [betrokkene 4] als
bestuurder/feitelijk bestuurderhoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeldeficit op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 2:9 BW en/of 6:162 BW. [3]
stelt,is niet aan hem om te beoordelen. Zonder nadere, niet gegeven, toelichting valt niet in te zien waarom dit onderzoek een struikelblok zou zijn geweest voor het tijdig publiceren van de jaarrekening over 2007, temeer daar bij pleidooi door [betrokkene 1] is gesteld dat de conceptjaarrekening over 2007 reeds in de zomer van 2006 gereed was, hetgeen vervolgens niet door [eiser] is betwist. Het gedane bewijsaanbod met betrekking tot de aansporing van de belastingambtenaren wordt daarom als niet relevant gepasseerd.
dan het kennelijk onbehoorlijk bestuur(dat door de te late publicatie onweerlegbaar vast staat) de oorzaken van het faillissement waren en niet de te late publicatie zelf.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
het belang van het onderzoekvan de Belastingdienst voor de jaarrekening 2007 aan te tonen.
[…]/[…]-arrest en naar mijn conclusie bij dat arrest. [21]