Conclusie
1.Feiten
arbeidsongevaldewelke is gebeurd op
20 juli 2009t.n.v. [eiser] , werknemer van B.V. [A] , op de tijdelijke bouwplaats “Betafence” (…) dat het ongeval gebeurde tijdens het renoveren van het dak van een fabriekshal. Tijdens de val door een golfplaat van het dak liep het slachtoffer [de] volgende letsels op: een lendenwervel fractuur, een bekkenfractuur, een enkelfractuur en een longkneuzing met scheur in het middenrif rechts.
2.Procesverloop
claims madeverzekering betreft. Zij heeft erop gewezen dat de verzekering is geëindigd met ingang van 12 mei 2010, de datum van het faillissement van Unimonta, zoals ook blijkt uit het bericht van royement van de polis. Zij heeft er voorts op gewezen dat Unimonta de schade niet heeft gemeld tijdens de geldigheidsduur van de verzekering, zodat er geen dekking is (rov. 4.32 van het eerste tussenarrest). Nu dit verweer eerst bij gelegenheid van de memorie van antwoord is aangevoerd, heeft het hof [eiser] in de gelegenheid gesteld op dit nieuwe verweer te reageren door middel van het nemen van een akte (rov. 4.33 en 6. (dictum) van het eerste tussenarrest).
claims madeverzekering en niet tijdig is geclaimd (rov. 2.5 van het eindarrest).
3.Bespreking van de cassatieklachten
action directe) toegekend in geval van schade door dood of letsel. Deze directe actie is neergelegd in art. 7:954 BW Pro, dat overigens (althans zijn voorloper art. 7.17.2.9c) pas rond de millenniumwisseling bij Nota van Wijziging aan het aan titel 7.17 BW ten grondslag liggende wetsvoorstel is toegevoegd. [12] Art. 7:954 BW Pro kent uiteindelijk een zevental artikelleden waarvan in dit bestek vooral de eerste twee relevant zijn.
verplichteverzekering kent, maar ook een zogenoemd
eigen rechtvan benadeelden aan wie de WAM-verzekeraar eventuele aan de verzekeringsrelatie met de aansprakelijke persoon te ontlenen verweermiddelen ook niet kan tegenwerpen (
decontractualisatie). Ook bij vrijwillige aansprakelijkheidsverzekering echter treedt het vergoedingsbelang van slachtoffers, zeker bij personenschade, vaak op de voorgrond, hetgeen ook wel eens spanning oplevert, zoals bijvoorbeeld ook blijkt bij de uitleg van de
opzetclausule. [14] Ook art. 7:954 BW Pro heeft alles met het vergoedingsbelang te maken. [15]
jegens de verzekerdeeen uitkering verschuldigd is. [25]
ius agendi [27] ) komt dus niet toe aan de verzekerde, maar aan de benadeelde. Logischerwijs kan de verzekeraar dan ook alleen nog bevrijdend betalen aan de benadeelde. [28] De benadeelde heeft dus een keuze: hij kan de verzekerde aanspreken, maar daarvan ook afzien en de verzekeraar tot betaling aanspreken. Uiteraard staat het hem ook vrij om beide aan te spreken, met dien verstande dat betaling door de één de ander ook bevrijdt. [29]
jegens de verzekerdetot uitkering verschuldigd moet zijn, brengt bijvoorbeeld mee, nogmaals: anders dan bij een eigen recht, dat de verzekeraar zich ook tegenover de benadeelde kan beroepen op een verweermiddel dat de verzekeraar in de relatie met de verzekerde heeft. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een beroep op schending van de precontractuele mededelingsplicht, verrekening, opzet, schorsing of beëindiging van de dekking wegens niet betalen van de vervolgpremie of schending van de meldings- en bereddingsplicht. [32] De benadeelde kan uiteindelijk via art. 7:954 BW Pro niet méér vorderen van de verzekeraar dan de verzekerde zelf zou kunnen. [33]
de verzekeraar(in zijn relatie tot de verzekerde) dient, is met de in het eerste lid van art. 7:954 BW Pro voorgeschreven melding ex art. 7:941 BW Pro juist het belang van
de verzekerdegemoeid.
no claim-korting te voorkomen of omdat hij wegens een in het verleden ongunstig schadeverloop vreest dat de verzekeraar de verzekering anders zal gaan opzeggen. Om nu te voorkomen dat de benadeelde dergelijke keuzes zou doorkruisen door rechtstreekse betaling van de verzekeraar te verlangen, heeft de wetgever dat laatste afhankelijk gemaakt van voorafgaande melding ex art. 7:941 BW Pro door de verzekerde aan de verzekeraar. [36]
voorschrijft, de melding zo spoedig mogelijk plaatsvindt. De verzekeraar zou zich op het standpunt kunnen stellen dat de verzekerde schadeplichtig is en dit verweer vervolgens tegen de benadeelde kunnen inroepen. De afhankelijkheid van de benadeelde van de melding door de verzekeringnemer acht de Raad om vorenstaande redenen ongewenst. De voorgestelde regeling behoeft op dit punt aanpassing [45] .”
long tail-schade waarbij tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en het zich manifesteren van de schade een lange periode ligt waarin de rechtspersoon heeft opgehouden ter bestaan. Omdat in dat geval geen melding door de verzekerde aan de verzekeraar kan worden gedaan, kan de benadeelde ingevolge het tweede lid zonder melding aan de verzekeraar rechtstreekse betaling verlangen.
uitgangspunt(wanneer de verzekerde rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, kan melding van de verwezenlijking van het risico niet meer plaatsvinden), daarop volgt ii) een
illustratie(het
long tail-voorbeeld, waarin melding inderdaad niet meer kan plaatsvinden, niet door de verzekerde rechtspersoon die immers heeft opgehouden te bestaan, maar ook niet door een ander (een rechtsopvolger is er niet in het voorbeeld)), waarna iii) een
schetswordt gegeven van het voordeel van een directe actie in dit geval c.q. de nadelen van het alternatief (de benadeelde kan zich rechtstreeks tot de verzekeraar wenden en hoeft geen heropening van de vereffening te verzoeken) en tot besluit wordt iv) een
relativeringgegeven (de benadeelde stuit eventueel toch op verweermiddelen die de verzekeraar ontleent aan de verzekeringsrelatie, zodat hij eventueel alsnog op heropening van de vereffening moet aansturen). [57]
long tail-schade, behandeld.
long tail-schade overgenomen. [58] Slechts in een enkele bron is een duidelijk standpunt te vinden, maar ook daar lijken de auteurs zich niet werkelijk te hebben afgevraagd of lid 2 zich beperkt tot het geval dat de verzekerde rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan vóórdat het risico zich heeft verwezenlijkt, maar nemen zij dat eerder, zo lijkt het, voetstoots aan. [59]
long tail-schades. Juist dan immers zit er (mogelijk veel) tijd tussen de uiteindelijk schadeveroorzakende gedraging of gebeurtenis en de verwezenlijking van het risico. In andere gevallen, zeg maar ‘gewone’ ongevalssituaties, vallen deze in principe samen. Ook in die gevallen kan zich voordoen dat geen melding meer kan worden gedaan, omdat voor het zover is gekomen de verzekerde rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Nogmaals, de tekst van lid 2 sluit dit geval niet van een rechtstreekse aanspraak zonder melding uit. Daar komt bij dat de in de parlementaire geschiedenis gegeven
long tail-illustratie in de literatuur ook als zodanig, als illustratie en daarmee dus niet meer dan voorbeeld, wordt opgevat en gepresenteerd. [60] Dat laat ruimte voor (toepassing op) andere gevallen. [61] Dat vervolgens in die bronnen geen voorbeelden van andere gevallen worden genoemd, lijkt me niet beslissend.
long tail-schade voor de toepassing van art. 7:954 lid 2 BW Pro slechts als voorbeeld is genoemd in de parlementaire geschiedenis. Ik zit op hetzelfde spoor. Mijns inziens volgt uit de parlementaire geschiedenis (hiervoor randnummer 3.31) niet dat art. 7:954 lid 2 BW Pro zich beperkt tot de situatie dat de verwezenlijking van het risico heeft plaatsgevonden
nadatde rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan c.q. tot
long tail-schades. Uit de toelichting blijkt weliswaar dat de minister bij lid 2 het oog had op
long tail-schades, maar volgt niet dat lid 2 zich daartoe beperkt. De parlementaire geschiedenis vermeldt over de uitzonderingssituatie van lid 2 immers het volgende: “Deze situatie
kanzich voordoen bij een
long tail-schade” [onderstreping toegevoegd, A-G]. Deze tekst laat ruimte voor andere situaties dan
long tail-schades
.Zelfs indien er had gestaan “Deze situatie
doet zich voor bijlong tail-schades”, zou de parlementaire geschiedenis overigens nog ruimte voor toepassing op andere situaties laten. Dat ligt anders wanneer in de toelichting tot uitdrukking zou zijn gebracht dat de uitzondering van lid 2 louter vanwege
long tail-schades was opgenomen. Ook de volgende zin uit de parlementaire geschiedenis leidt mijns inziens, anders dan het hof oordeelt in rov. 2.10, niet tot de conclusie dat de uitzonderingssituatie uitsluitend is bedoeld voor
long tail-schades: “Omdat in dat geval geen melding door de verzekerde aan de verzekeraar kan worden gedaan, kan de benadeelde ingevolge het tweede lid zonder melding aan de verzekeraar rechtstreekse betaling verlangen.”. “Omdat in dat geval” slaat terug op de woorden “Indien de verzekerde een rechtspersoon is die heeft opgehouden te bestaan” en niet, zoals het hof overigens lijkt aan te nemen, op de woorden “Deze situatie kan zich voordoen bij een
long tail-schade”. Dat de verzekerde de verzekeraar de verwezenlijking van het risico niet meer kan melden indien de verzekerde een rechtspersoon is die heeft opgehouden te bestaan, spreekt voor zich. Dat heeft echter niets van doen met de vraag
wanneerhet risico zich heeft verwezenlijkt, maar is inherent aan het niet meer bestaan van een rechtspersoon: een niet-bestaande rechtspersoon kan, omdat hij nu eenmaal niet meer bestaat, geen (rechts)handelingen (meer) verrichten. Mijn lezing van de parlementaire geschiedenis doet ook meer recht aan de ratio van de directe actie als zodanig (hiervoor randnummers 3.7 en 3.8). Juist omdat de wettekst van art. 7:954 lid 2 BW Pro zich niet beperkt tot de situatie dat de verwezenlijking van het risico heeft plaatsgevonden nadat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan c.q. tot
long tail-schades, had het voor de hand gelegen een eventuele niet in de wettekst neergelegde maar toch beoogde beperking op niet voor misverstand vatbare wijze aan de orde te stellen in de parlementaire geschiedenis. Dat is echter niet gebeurd.
long tail-schade waarbij de verzekerde rechtspersoon vóór de verwezenlijking van het risico heeft opgehouden te bestaan. Slechts een enkele bron in de literatuur zit wel op dat spoor, zij het dat ook deze bronnen toepassing op gevallen waarin de verzekerde rechtspersoon pas na de verwezenlijking van het risico heeft opgehouden te bestaan niet uitdrukkelijk bespreken laat staan afwijzen.
onderdeel Izich richt tegen rov. 2.10 van het eindarrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat art. 7:954 lid 2 BW Pro (uitsluitend) ziet op de situatie dat de verzekerde een rechtspersoon is die heeft opgehouden te bestaan vóór de verwezenlijking van het risico en dat dit artikellid niet ziet op een situatie als de onderhavige waarbij ná het schadetoebrengende evenement de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan.
long tail-schade in het kader van art. 7:954 lid 2 BW Pro slechts als voorbeeld in de parlementaire geschiedenis is genoemd. Indien aan de vereisten van art. 7:954 lid 2 BW Pro is voldaan, is dat artikellid wel degelijk ook van toepassing in andere situaties dan in het geval van
long tail-schade. [64]
long tail-schade niet slechts als voorbeeld in de parlementaire geschiedenis genoemd. De door [eiser] geciteerde literatuur kan hem ook niet baten, omdat hetgeen staat vermeld in de parlementaire geschiedenis voorrang heeft boven de door [eiser] vermelde literatuur. [68]
kanmelden, maar dat de benadeelde, zo begrijp ik het standpunt van Achmea, [69] – ten koste van de verzekeraar – beschermd zou worden in de situatie waarin de verzekerde de schade wel degelijk
had kunnenmelden. De facto komt dat neer op een schrapping van de meldingsplicht. [70] In de onderhavige zaak had de melding 4,5 jaar lang kunnen worden gedaan door Unimonta c.q. de curator aan Achmea voordat Unimonta ophield te bestaan. [71] Aangezien de melding achterwege is gebleven, is de directe actie van [eiser] niet ontstaan gedurende die periode. De directe actie kan dan niet ineens – als het ware met terugwerkende kracht – ontstaan nadat Unimonta heeft opgehouden te bestaan. [72]
long tail-schade waarbij de verzekerde rechtspersoon vóór de verwezenlijking van het risico heeft opgehouden te bestaan. Weliswaar suggereert een enkele bron in de literatuur dat lid 2 wel tot dat geval beperkt is, maar ook die bronnen gaan niet uitdrukkelijk in op gevallen waarin de verzekerde rechtspersoon pas na de verwezenlijking van het risico heeft opgehouden te bestaan. Andere bronnen gaan ervan uit dat
long tail-schade voor de toepassing van art. 7:954 lid 2 BW Pro slechts als voorbeeld is genoemd in de parlementaire geschiedenis. Ook deze bronnen gaan overigens niet expliciet in op toepassing van lid 2 op het geval dat de verwezenlijking van het risico reeds heeft plaatsgehad voordat de verzekerde rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. Toepassing op een dergelijk geval is in het licht van de ruimte die wettekst en parlementaire geschiedenis laten mogelijk, relativeert bovendien het belang van het toch al niet onomstreden meldingsvereiste van lid 1 en doet ook nog het meeste recht aan de ratio van art. 7:954 BW Pro:
nietover is (zijn) gegaan tot melding bij de verzekeraar van de (failliete) verzekerde rechtspersoon vóórdat deze rechtspersoon ophield te bestaan;
verzekerdete dienen (daarmee wordt voorkomen dat de benadeelde de (ruimte voor) afweging van de verzekerde – om wel of niet de zaak zelf, buiten de verzekeraar om, te regelen en de benadeelde zelf schadeloos te stellen [75] – doorkruist) (hiervoor randnummers 3.17 en 3.19). Het is derhalve niet opgenomen om de positie van de verzekeraar nog verdergaand te beschermen dan reeds uit art. 7:941 BW Pro en daarop geënte polisvoorwaarden voortvloeit. Als de verzekerde rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, zijn de eventuele belangen bij afwikkeling buiten de verzekering om ‘uitgedoofd’. Het zou daarom niet strijdig zijn met de ratio van het meldingsvereiste wanneer ook de situatie waarbij de verwezenlijking van het risico zich reeds heeft voorgedaan vóórdat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan maar melding is uitgebleven, onder art. 7:954 lid 2 BW Pro valt, zodat de benadeelde aanspraak kan maken op betaling door de verzekeraar aan hem;
long tail-schade slechts als voorbeeld in de parlementaire geschiedenis is genoemd (hiervoor randnummer 3.36) en 3) dat een andere uitleg in strijd zou zijn met het doel van de regeling. Dat [eiser] als benadeelde geen enkele invloed had kunnen uitoefenen op de failliete verzekerde, is echter minder overtuigend. Hij had immers via art. 69 Fw Pro melding door de curator aan de verzekeraar kunnen proberen af te dwingen (hiervoor randnummer 3.27). Dat [eiser] dat niet heeft gedaan, doet weliswaar niets af aan het toepassingsbereik van art. 7:954 lid 2 BW Pro, maar zijn afwachtende houding kan hem parten spelen. Denk aan een eventueel beroep van Achmea op schending van de uit art. 7:941 BW Pro voor de verzekerde voortvloeiende meldingsplicht [79] (hiervoor randnummer 3.13). Deze stelling van [eiser] overtuigt niet en legt daarom minder gewicht in de schaal, zoals ook Achmea in wezen heeft betoogd (hiervoor randnummer 3.41, onder iv). De andere in het kader van het verweer van Achmea betrokken stellingen komen mij minder sterk voor.
eerstelid van art. 7:954 BW Pro (meer in het bijzonder op de schadeplichtigheid van de verzekerde jegens de verzekeraar indien hij de meldingsplicht van art. 7:941 BW Pro schendt en de mogelijkheid voor de verzekeraar dit verweer tegen te werpen aan de benadeelde). Het zag derhalve niet op het bereik van art. 7:954 lid 2 BW Pro. Dat het geval van
long tail-schade anders dan Achmea heeft betoogd (hiervoor randnummer 3.41, onder ii) slechts als voorbeeld wordt genoemd in de parlementaire geschiedenis heb ik reeds toegelicht. Ik verwijs in dit verband naar randnummers 3.34 e.v. hiervoor. Met haar bijbehorende stelling, dat de door [eiser] genoemde literatuur (waaruit volgt dat
long tail-schade voor de toepassing van art. 7:954 lid 2 BW Pro slechts als voorbeeld is genoemd in de parlementaire geschiedenis) [eiser] niet kan baten, omdat de parlementaire geschiedenis voorrang heeft boven de betreffende literatuur, miskent Achmea, wat er ook zij van deze ‘voorrangsregel’, in ieder geval dat de betreffende auteurs daarbij veelal expliciet verwijzen naar de parlementaire geschiedenis en daarmee dus (hun uitleg van) de parlementaire geschiedenis op dat punt weergeven. Van een afstand nemen van de parlementaire geschiedenis is daarbij juist geen sprake.
Onderdeel Islaagt daarom.
onderdeel IImet dien verstande – nu rov. 3.1 en 4. (dictum) niet alleen betrekking hebben op het hoger beroep inzake Achmea – dat rov. 3.1 en 4. (het dictum) van het eindarrest niet in stand kunnen blijven uitsluitend voor zover zij betrekking hebben op Achmea.