Conclusie
middelricht zich tegen de door het hof bevestigde niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door de kantonrechter omdat hij kort gezegd geen verzet meer kon instellen tegen de strafbeschikking.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte ontving op 15 maart 2015 een strafbeschikking wegens heling van een damesfiets, met een geldboete van €257 inclusief administratiekosten. De dag na ontvangst, op 16 maart 2015, stelde hij verzet in tegen deze strafbeschikking. Vervolgens betaalde hij op 15 april 2015 het bedrag van de strafbeschikking.
Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet omdat hij door betaling afstand had gedaan van het recht op verzet. De Hoge Raad oordeelt echter dat betaling na het instellen van verzet niet gelijkstaat aan afstand doen van het recht op verzet, zoals bepaald in art. 257e Sv. De enkele omstandigheid dat betaling volgt op verzet, leidt niet tot verval van het verzet.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. Er zijn geen ambtshalve gronden gevonden om de bestreden uitspraak te vernietigen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting omdat betaling na verzet niet leidt tot verval van het verzet.