Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
opneming en verblijfin een psychiatrisch ziekenhuis [3] . Het verweer dat betrokkene vrijwillig kan meewerken aan een in het psychiatrisch ziekenhuis uit te voeren onderzoek, houdt niet in dat betrokkene bereid is tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Wel kan dit verweer van belang zijn voor de beoordeling of voldaan is aan een andere voorwaarde: dat het door de psychische stoornis veroorzaakte gevaar niet door personen of instellingen buiten het psychiatrische ziekenhuis kan worden afgewend (artikel 2 lid Pro 2, aanhef onder b, Wet Bopz). Met betrekking tot deze voorwaarde is in de geneeskundige verklaring bij rubriek 6.a vermeld dat betrokkene geen inzicht in haar ziekte heeft. De rechtbank is op grond van de mondelinge behandeling niet tot een ander conclusie gekomen, zo blijkt uit het in de beschikking gegeven oordeel “dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend”. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft verklaard dat betrokkene dient te worden onderzocht en haar medicatie goed dient te worden ingesteld en dat dit alleen in het psychiatrisch ziekenhuis kan worden gedaan in verband met het wantrouwende gedrag van betrokkene tegenover haar begeleiders in de huidige begeleide woonvorm. De rechtbank heeft daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt waarom een onderzoek (en het instellen van medicatie) op vrijwillige basis zonder gedwongen opneming geen reëel alternatief is. Dat spreekt te meer als daarbij in ogenschouw wordt genomen dat betrokkene tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard “Dit huis is niet geschikt voor mij. Ik wordt hier zwaar verwaarloosd. Er worden leugens over mij verteld. Er mankeert niets aan mij” (proces-verbaal, blz. 1). Onderdeel II faalt.