Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdeel 1.1, procesinleiding onder 2.1). Voor zover het hof met de overwegingen 2.4 t/m 2.10 wel heeft gerespondeerd op de ‘2011-bewoning’, is dat oordeel onvoldoende begrijpelijk (
subonderdeel 1.2, procesinleiding onder 2.2).
subonderdeel 1.3in dat de ‘2011-bewoning’ niet geldt als een nieuwe grief, maar slechts als een uitwerking van het beroep van Inhuizen op schending van art. 5 lid 3 van Pro de huurovereenkomst en art. 7:244 BW Pro (procesinleiding onder 2.3 en 2.4). In dat geval getuigt het oordeel van het hof bovendien van een onjuiste rechtsopvatting, zo stelt
subonderdeel 1.4, omdat het hof dan heeft miskend dat op de ‘twee-conclusie-regel’ een uitzondering geldt als geïntimeerde ondubbelzinnig instemt met het aanvoeren van een nieuwe grief of als geïntimeerde zonder voorbehoud verweer voert tegen zo’n nieuwe grief (procesinleiding onder 2.5). In het onderhavige geval doet deze uitzondering zich voor, zo wordt gesteld bij het subonderdeel, nu [verweerder] in zijn memorie na enquête zonder enig voorbehoud is ingegaan op het betoog van Inhuizen over de ‘2011-bewoning’. [3] Voor zover het hof de hiervoor bedoelde uitzondering op de ‘twee-conclusie-regel’ niet heeft miskend, heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd (procesinleiding onder 2.5).
subonderdeel 1.5aangevoerd dat het hof heeft miskend dat ook een uitzondering op de ‘twee-conclusie-regel’ geldt als sprake is van later gebleken feiten en omstandigheden, en met de nieuwe grief wordt beoogd te voorkomen dat het geschil wordt beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuiste gebleken (juridische of feitelijke) gegevens. In het onderhavige geval doet dit zich voor, nu de ‘2011-bewoning’ pas bleek uit de getuigenverhoren van [getuige 1] , [getuige 2] en [verweerder] (procesinleiding onder 2.6). Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd (procesinleiding onder 2.7).
subonderdeel 1.6aangevoerd dat als moet worden aangenomen dat het hof op grond van de goede procesorde de nieuwe grief buiten beschouwing heeft gelaten omdat [verweerder] daarop niet meer heeft kunnen reageren, dit oordeel onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is (procesinleiding onder 2.8).
(…) Ik heb toen een afspraak gemaakt met [verweerder] senior op de [a-straat 1] hoog. Dat is waarschijnlijk geweest in de periode begin 2011, maar zeker weet ik dat niet meer. Toen ik daar kwam kreeg ik de indruk dat [verweerder] senior niet zelf de woning bewoonde. (…) Bij dat eerste gesprek dat ik met [verweerder] senior in de woning had, bevond zich ook een vrouw in de woning, die op een bank zat achter in de woning, terwijl [verweerder] senior en ik voor in de woning zaten. Later bleek mij dat dit de vrouw was die in die woning woonde. Dat werd mij verteld door een schilder die met haar gesproken had. (…) Die schilder heeft de desbetreffende vrouw regelmatig gesproken omdat zij haar fiets altijd vastmaakte aan de hemelwaterafvoerpijp die zich bevond op de begane grond onder het gedeelte waar die schilder zijn werkzaamheden verrichte. Ik heb [verweerder] senior daar vervolgens op aangesproken, en van de desbetreffende schilder gehoord dat die vrouw niet lang nadien volgens haar zeggen de woning is uitgezet door [verweerder] senior. Dit alles heeft zich afgespeeld in 2011. (…)”
Het klopt dat er in een bepaalde periode ook een vrouw in mijn woning heeft gezeten. In welk jaar dat was durf ik niet meer te zeggen. Wel weet ik nog dat het ging om een periode van een paar maanden. (…) Zo heb ik haar leren kennen, wij hebben ook een keer een borrel samen gedronken en zijn uiteindelijk redelijk close geworden. Mij bleek dat er een probleem was omdat ze geslagen werd door haar toenmalige partner. Zij heeft mij toen gevraagd of ik een kamer voor haar had. Daarop heb ik in eerste instantie nee gezegd. Zij bleef echter aandringen en op een bepaald moment zag ik dat ze er zo slecht uit zag dat ik heb gevraagd voor hoe lang het zou zijn. Zij heeft mij toen gezegd dat het voor een paar maanden zou zijn, tot dat ze een nieuwe woonruimte zou hebben gevonden. Huur heeft zij mij nooit betaald. Zo is het gegaan, alleen het einde liep anders dan ik mij had voorgesteld omdat ze dingen deed die bij mij niet door de beugel kunnen (…). Toen mij ook bleek dat er verschillende mannen in huis waren op momenten dat ik er zelf niet was, heb ik tegen haar gezegd: “nu is het klaar”.”
De schilder [getuige 1] , die, zoals gezegd, veel opdrachten van Inhuizen krijgt weet zich gek genoeg, (…) bijna niets meer te herinneren van de buren en het interieur van de woning. Wel weet hij zich nog haarscherp te herinneren dat de bewuste mevrouw in 2010 tegen hem vertelde dat zij alleen woonde op [a-straat 1] . Los van het feit dat deze discrepantie in het geheugen van de heer [getuige 1] vragen oproept bij zijn betrouwbaarheid, wil de eventuele mededeling van de vrouw in kwestie nog niet zeggen dat deze mededeling op waarheid is gebaseerd, net zo als haar latere mededeling dat zij door de verhuurder op straat is gezet.
en informatie van derden, en niet op zelf geconstateerde feiten, baseert, waardoor zijn verklaring een wat speculatief karakter krijgt. Dat geldt met name voor de door hem getrokken conclusie dat [verweerder] in 2011, toen – naar vaststaat – een vrouw enige tijd in de woning heeft gewoond, daar geen hoofdverblijf heeft gehad, waarbij het hof betrekt wat [verweerder] zelf als getuige hieromtrent heeft verklaard (zie daarvoor de derde alinea van pagina 3 van het desbetreffende proces-verbaal), wat het hof niet onaannemelijk voorkomt. De verklaring van de getuige [getuige 1] kan hieraan niet afdoen. (…)”
bij memorie na enquête heeft […] aangevoerd dat ook de bewoning door de 2011-bewoonster een schending van art. 5 lid 3 huurovereenkomst Pro en art. 7:244 BW Pro oplevert” (procesinleiding cassatie onder 5), niet juist is. Inhuizen verwijst hierbij naar punt 36 en 40-41 van haar memorie na enquête, maar daar staat nét iets anders (zie onder 3.8).
2.10 Inhuizen heeft ten slotte gesteld dat het (door het hof in rov. 3.4 van het tussenarrest als vaststaand aangenomen) feit dat de zoon van [verweerder] sinds geruime tijd in de woning woont en dat ook diens vriendin, na de bevalling van haar kind, (ten minste) tijdelijk – met haar kind – in de woning is ingetrokken, meebrengt dat [verweerder] de huurovereenkomst heeft geschonden, omdat artikel 5.2 van de huurovereenkomst inwoning verbiedt van andere personen dan rechtstreekse gezinsleden van [verweerder] , [verweerder] geen gezin vormt met zijn zoon, de partner van zijn zoon en hun dochter en Inhuizen voor de inwoning ook geen toestemming heeft verleend. Het hof volgt Inhuizen niet in dit betoog. Nu vaststaat dat [verweerder] hoofdverblijf heeft en heeft gehad in de woning, volgt uit artikel 5lid 3
van de huurovereenkomst – waarop Inhuizen kennelijk doelt – dat hij andere personen bij zich mag doen inwonen als deze rechtstreeks tot zijn gezin behoren, waartoe naar het oordeel van het hof – anders dan Inhuizen stelt – zijn zoon, diens partner en hun dochter wel dien(d)en te worden gerekend. Van een toerekenbare tekortkoming van de kant van [verweerder] op deze grond is dus geen sprake.”
subonderdeel 2.1is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, nu [verweerder] niet heeft gesteld dat het begrip ‘rechtstreeks behoren tot zijn gezin’, zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook de vriendin van zijn zoon en/of hun dochter vallen (procesinleiding onder 3.2). [verweerder] heeft op dit punt namelijk alleen gesteld (a) dat de vriendin van zijn zoon verzorging nodig had, (b) dat het [verweerder] vrijstaat om zijn zoon, als gezinslid, in zijn woning te laten wonen, en (c) dat het zijn zoon vrijstaat zijn vriendin onderdak te bieden als zij verzorging nodig heeft.
subonderdeel 2.2aangevoerd dat het hof met zijn uitleg de Haviltex-maatstaf heeft miskend (procesinleiding onder 3.3). Voor zover het hof die maatstaf niet heeft miskend, houdt
subonderdeel 2.3in dat het hof de door hem gegeven uitleg onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat niet is in te zien waarom behalve de zoon van [verweerder] ook diens vriendin en hun kind daaronder zouden vallen (procesinleiding onder 3.4). Niet alleen is dat niet door [verweerder] gesteld. Bovendien wordt de vriendin van een zoon in het algemeen niet gezien als rechtstreeks onderdeel van het eigen gezin, temeer nu [verweerder] zelf ook een gezin vormt met zijn eigen partner en hun gezamenlijk kind. Ook in taalkundige zin heeft het begrip ‘rechtstreeks behoren tot zijn gezin’ geen betrekking op de vriendin van de zoon van de huurder en/of het kleinkind van de huurder. Bij
subonderdeel 2.4wordt ten slotte gesteld dat het hof met de door hem gegeven uitleg buiten het partijdebat is getreden (procesinleiding onder 3.5).
zoonvan [verweerder] kan worden aangemerkt als ‘rechtstreeks tot zijn gezin behorend’, in de zin van art. 5 lid 3 huurovereenkomst Pro. In de klachten wordt immers benadrukt dat het hof niet mocht oordelen dat
ookde vriendin van de zoon en hun kind – dus het kind van de zoon van [verweerder] en diens vriendin – kwalificeerden als ‘rechtstreeks behorend tot zijn gezin’, nu [verweerder] alleen had aangevoerd dat zijn zoon als zodanig kwalificeerde. Om die reden wordt in het onderdeel vanuit verschillende invalshoeken betoogd dat het hof niet mocht oordelen dat
ookde vriendin van zijn zoon en hun kind als ‘rechtstreeks tot zijn gezin behorend’ konden worden aangemerkt. Gezien deze beperkte strekking van de klachten uit het tweede onderdeel, betekent dat dat in cassatie niet (meer) ter discussie staat dat de zoon van [verweerder] geldt als ‘rechtstreeks tot zijn gezin behorend’ in de zin van art. 5 lid 3 huurovereenkomst Pro. Daarmee is eveneens gegeven dat op dit punt geen sprake is van schending van de huurovereenkomst door [verweerder] .
Allereerst baseert Inhuizen de ontbindingsvordering niet op de stelling dat [verweerder] ’ zoon bij hem woont, maar op de stelling dat diens vriendin en hun gezamenlijke kind de woning mede zijn gaan bewonen.”
nietnaar voren komt dat de vriendin en het kind tijdens de getuigenverhoren (in 2017) nog in de woning verbleven. [16] Dat is ook niet aangevoerd door Inhuizen.
zelf ook een gezin vormt met zijn eigen partner en hun gezamenlijke kind’ (procesinleiding Inhuizen onder 3.4). Weliswaar heeft Inhuizen op de plaats waarnaar zij verwijst, [17] gesteld “
dat [verweerder] aan[gaf] dat hij zelf (veelvuldig) verblijft in [plaats ] bij zijn huidige partner en hun gezamenlijke zoontje”. Maar daar staat dus níet dat [verweerder] zelf ook een gezin vormt met zijn eigen partner en hun gezamenlijke kind. Bovendien heeft [verweerder] gedurende de gehele procedure juist
ontkenddat hij bij zijn partner en hun zoontje in [plaats ] woont. Na bewijslevering heeft het hof in zijn eindarrest geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [verweerder] geen hoofdverblijf in de woning aan de [a-straat] heeft of heeft gehad. Daarin ligt besloten dat evenmin is komen vast te staan dat [verweerder] een gezin vormt met zijn partner en hun gezamenlijke kind in [plaats ]. Verder ligt in dit oordeel besloten – en dat wordt ook bevestigd door het feit dat Inhuizen haar ontbindingsvordering niet baseert op de stelling dat [verweerder] ’ zoon bij hem inwoont (schriftelijke toelichting onder 2.2) – dat [verweerder] aan de [a-straat] een gezin vormt met zijn zoon.