ECLI:NL:PHR:2018:168

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2018
Publicatiedatum
6 maart 2018
Zaaknummer
17/00831
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 81.1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlokking van moord bij moskee in Vlaardingen door bedreiging en mishandeling

De zaak betreft de uitlokking van moord op een persoon die op 1 februari 2013 in Vlaardingen werd doodgeschoten vlak na het verlaten van een moskee. De verdachte, ex-partner van de schutter, werd door het hof veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf wegens het opzettelijk uitlokken van deze moord door middel van geweld, bedreiging, het verschaffen van middelen en inlichtingen.

De verdachte leefde in de overtuiging dat het slachtoffer een relatie had met de schutter en zette deze zwaar onder druk door onder meer bedreigingen met de dood, mishandeling, het vastbinden en het maken van naaktfoto’s met dreiging tot verspreiding. Tevens werd een vuurwapen verstrekt en instructies gegeven over het gebruik daarvan. De verdediging voerde motiveringsklachten aan, onder meer over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de bewijsvoering, maar deze werden door de Hoge Raad verworpen.

Hoewel een onderdeel van de bewezenverklaring niet volledig werd gedragen door bewijsmiddelen, achtte de Hoge Raad dit niet van invloed op het totaalbeeld en de ernst van het bewezen verklaarde. De verklaring van een getuige die sprak over het verzoek van de verdachte om het slachtoffer te mishandelen of te doden werd als aannemelijk beoordeeld, mede door het ontbreken van aanwijzingen dat deze verklaring was ingegeven door familieleden.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling van de verdachte tot 18 jaar gevangenisstraf definitief werd. Tevens werd opgemerkt dat een verzoek tot herziening van de onherroepelijke veroordeling van de schutter zelf nog in behandeling is.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling tot 18 jaar gevangenisstraf wegens uitlokking van moord.

Conclusie

Nr. 17/00831
Zitting: 16 januari 2018 (bij vervroeging)
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest 6 februari 2017 de verdachte ter zake van
‘opzettelijke uitlokking van moord’veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van voorarrest. Bovendien heeft het hof (toewijzende) beslissingen genomen op de vorderingen van twee benadeelde partijen, zoals vermeld in het arrest.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De voorliggende zaak betreft een (mogelijk) geval van eerwraak. Volgens de bewezenverklaring, gesteund door de bewijsmiddelen (en in cassatie onbetwist), heeft [betrokkene 1] op 1 februari 2013 in Vlaardingen een zekere [betrokkene 2] doodgeschoten, op straat, vlak nadat hij de moskee aldaar had verlaten en in zijn auto had plaatsgenomen. [1] De verdachte is (was) de partner van [betrokkene 1] . De verdachte leefde in de veronderstelling dat [betrokkene 1] met [betrokkene 2] was vreemdgegaan. Het hof acht kort gezegd bewezen dat de (ontkennende) verdachte [betrokkene 1] door geweld, door bedreiging en door het verschaffen van middelen en inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt om [betrokkene 2] dood te schieten.
4. Beide middelen behelzen motiveringsklachten en betreffen de bewijsvoering.
5. Het
eerste middelklaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte [betrokkene 1] heeft gedreigd
haarte doden (zoals het hof heeft bewezen verklaard). “
Bewijsmiddel 9 houdt weliswaar in dat [betrokkene 1] werd meegedeeld dat misschien zij haar kinderen niet meer zou zien, maar daaruit is niet af te leiden dat dit door het doden van [betrokkene 1] zou worden veroorzaakt. Uit de directe context van deze mededeling volgt hooguit dat kennelijk de kinderen het met hun leven zouden moeten bekopen”, aldus (de toelichting op) het middel.
6. Het hof heeft bewezen verklaard dat:

[betrokkene 1] op 1 februari 2013 te Vlaardingen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [betrokkene 2] van het leven heeft beroofd,immers heeft [betrokkene 1] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [betrokkene 2] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [betrokkene 2] is overleden,welk feit hij, verdachte omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 1 februari 2013 te Vlaardingen, door geweld en bedreiging en door het verschaffen van middelen en inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door
- [betrokkene 1] op te dragen om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- [betrokkene 1] te dreigen met de dood indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- te dreigen om een of meer familieleden van [betrokkene 1] iets aan te doen, indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- [betrokkene 1] te mishandelen en uit te schelden en
- [betrokkene 1] op het bed vast te binden en haar mond af te plakken/tapen en [betrokkene 1] met een riem te slaan en
- naaktfoto’s van [betrokkene 1] en pornografische foto's van [betrokkene 1] te maken en te dreigen om deze foto's te verspreiden, althans openbaar te maken, indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- aan [betrokkene 1] een vuurwapen te verstrekken en aan [betrokkene 1] te laten zien hoe een vuurwapen werkt.
7. Onderdeel van deze bewezenverklaring is dat de verdachte [betrokkene 1] heeft bedreigd met de dood indien zij zou weigeren [betrokkene 2] om het leven te brengen. Ofschoon de frase ‘dreigen met de dood’ openlaat met wiens dood de bedreigde wordt bedreigd, en dus strikt genomen kan worden betoogd dat de woorden ‘dreigen met de dood’ niet uitsluiten dat zij betrekking hebben op de dood van
anderendan de bedreigde, wil ik aannemen dat met deze woorden in gangbaar taalgebruik wordt gedoeld op de dood van de bedreigde zelf, in dit geval dus [betrokkene 1] . Ik ga ervan uit dat ook het hof deze passage aldus heeft opgevat.
8. In de bewijsmiddelen is (inderdaad) geen steun te vinden voor deze aldus begrepen passage uit de bewezenverklaring. Het dichtst in de buurt komt bewijsmiddel 9, de RC-verklaring van [betrokkene 1] d.d. 28 oktober 2013, waarin onder meer is meegedeeld (ik ben in het voordeel van de steller van het middel iets vollediger in de weergave het citaat):

Een paar dagen heeft hij gezegd: als je het nu niet doet, vermoord ik je kinderen. Hij ging weer door met mij te mishandelen. Hij zei die vrijdag: kijk goed naar je kinderen, misschien zie je ze niet meer, misschien is het de laatste keer dat je ze ziet. Die vrijdag voor mij was het de laatste druppel. Ik keek naar mijn dochter en zag alleen maar mijn kinderen voor me.
9. Deze passage vormt ondersteuning voor een
anderonderdeel van de bewezenverklaring, namelijk:
“dreigen om een of meer familieleden van [betrokkene 1] iets aan te doen, indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen”. Ik lees in deze passage echter niet dat de verdachte heeft gedreigd [betrokkene 1] zelf van het leven te beroven. De klacht dat een onderdeel van de bewezenverklaring niet wordt geschraagd door bewijsmiddelen komt mij dus gegrond voor.
10. Niettemin hoeft de gegrondheid van de klacht niet tot cassatie te leiden. De aard en ernst van het bewezen verklaarde in zijn geheel beschouwd worden namelijk niet aangetast indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring wordt geschrapt. [2]
11. Het middel is gegrond, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
12. Het
tweede middelklaagt over de onbegrijpelijkheid van een bewijsoverweging.
13. In feitelijke aanleg heeft de verdediging gehamerd op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en familieleden van [betrokkene 1] , voor zover die inhouden dat de verdachte [betrokkene 1] zwaar onder druk heeft gezet c.q. heeft mishandeld en dat hij uit was op de dood van [betrokkene 2] . [3] Het hof is in het bestreden arrest uitvoerig ingegaan op dit standpunt en heeft gemotiveerd uiteengezet op welke gronden het van dit standpunt is afgeweken.
14. Een van de bewijsmiddelen, namelijk nr. 14, betreft de verklaring van [betrokkene 3] d.d. 22 mei 2013. Deze [betrokkene 3] deelde de politie kort gezegd mee dat de verdachte hem had verteld dat en hoe hij had achterhaald dat [betrokkene 1] vreemd ging met [betrokkene 2] , dat hij (verdachte) wilde dat [betrokkene 2] zou worden mishandeld en/of gedood en dat hij (verdachte) dit voornemen ten uitvoer zou brengen.
15. In een nadere bewijsoverweging motiveert het hof het gebruik van dit bewijsmiddel als volgt:
“Verklaring [betrokkene 3]
heeft verklaard dat hij de verdachte tweemaal heeft gezien en gesproken voor de kerst in 2012. Beide keren sprak de verdachte over het slachtoffer. Tijdens het tweede gesprek vroeg verdachte aan [betrokkene 3] of deze het slachtoffer neer kon schieten. De verdachte gaf hem ook het telefoonnummer van het slachtoffer. [betrokkene 3] heeft dit nummer ook op een papiertje geschreven.
Het hof acht deze verklaring van [betrokkene 3] aannemelijk, nu uit het tapgesprek tussen de nicht van de mededader ( [betrokkene 4] ) en [betrokkene 3] , dat plaatsvindt nadat [betrokkene 3] zijn verklaring tegen de politie heeft afgelegd, nergens blijkt dat die verklaring vooraf door de familie [van betrokkene 1] is ingegeven. Het papiertje waarop [betrokkene 3] het telefoonnummer van [betrokkene 2] heeft genoteerd, is bovendien door hem aan de politie overhandigd. [4]
In de aanvulling op het bestreden arrest heeft het hof over de verklaring van [betrokkene 3] (andermaal) overwogen:

Het hof acht deze verklaring van [betrokkene 3] aannemelijk, nu uit het tapgesprek tussen de nicht van de mededader ( [betrokkene 4] ) en [betrokkene 3] , dat plaatsvindt nadat [betrokkene 3] zijn verklaring tegen de politie heeft afgelegd (uitwerking gesprek pagina 347), nergens blijkt dat die verklaring vooraf door de familie [van betrokkene 1] is ingegeven. [5]
16. De steller van het middel brengt hiertegen het volgende in (ik citeer volledig):

Dat uit een tapgesprek tussen getuige [betrokkene 3] en een familielid van hem niet blijkt dat [betrokkene 3] ’ verklaring vooraf door de familie [van betrokkene 1] is ingegeven, is nietszeggend voor het oordeel dat om die reden die verklaring aannemelijk is.”
17. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan ik de steller van het middel in zijn argumentatie niet volgen. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat ingeval de verklaring van [betrokkene 3] zou zijn ‘voorgekookt’ met de (overige) familieleden van [betrokkene 1] , het afleggen door [betrokkene 3] van die (gearrangeerde) verklaring waarschijnlijk zou zijn besproken in een daaropvolgend telefoongesprek met de nicht van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 4] . Nu het afgeluisterde telefoongesprek daarvan naar ’s hofs oordeel [6] geen blijk geeft, ziet het hof hierin een aanwijzing voor de betrouwbaarheid van hetgeen [betrokkene 3] heeft verklaard.
18. Ik acht dat oordeel niet onbegrijpelijk. Voor een verdergaande toets is in cassatie geen plaats.
19. Beide middelen zijn tevergeefs voorgesteld.
20. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
n.d.
AG

Voetnoten

1.De rechtbank te Rotterdam heeft [betrokkene 1] op 3 juli 2014 ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Tegen dit vonnis is géén hoger beroep ingesteld, zodat de veroordeling onherroepelijk is geworden.
2.Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005,
3.Zie de pleitnota in hoger beroep, die volgens het proces-verbaal van de terechtzittingen van 9 en 23 januari 2017 op 9 januari 2017 is voorgedragen.
4.Zie p. 10 van het bestreden arrest.
5.Zie p. 8 van de aanvulling op het verkorte arrest.
6.Aangezien in cassatie niet wordt aangevochten ’s hofs oordeel dat het afgeluisterde telefoongesprek (dat is getranscribeerd op p. 347 van het dossier) geen blijk geeft van een nabespreking door [betrokkene 4] en [betrokkene 3] van het succes van het ‘voorkoken’ van de politieverklaring van [betrokkene 3] , heb ik mij niet gewaagd aan een blik achter de ‘papieren muur’.