In deze zaak heeft de klager bij de rechtbank Den Haag een klaagschrift ingediend op grond van artikel 98, vierde lid, en artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft echter nagelaten binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na ontvangst van het klaagschrift te beslissen, waardoor een fictief besluit tot ongegrondverklaring is ontstaan.
Namens klager is vervolgens een cassatieberoep ingesteld tegen deze fictieve beschikking. De Hoge Raad overweegt dat het stelsel van rechtsmiddelen gesloten is en dat tegen het uitblijven van een beschikking door de rechtbank geen beroep in cassatie openstaat.
Daarom wordt de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde cassatieberoep. Dit arrest bevestigt de grenzen van het cassatierecht en verduidelijkt dat het ontbreken van een beslissing door de rechtbank niet kan worden bestreden via cassatie.