Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
2.11. Gewoon uitstel voor memories
2.15. Memorie of akte na tussenarrest of pleidooi
1.7. Ambtshalve handhaving termijnen, verval van recht
kan wordenverkregen [8] , waarna het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Art. 2.28 LPR (vierde versie) – ook de daarin opgenomen termijn van vier dagen vóór de desbetreffende roldatum − stond daarom niet in de weg aan het verlenen aan [eiser] c.s. van een uitstel van twee weken voor het nemen van een antwoord-akte.
zes wekenuitstel niet toewijsbaar was – voor wisseling van akten ter rolle na tussenarrest worden in het LPR (vierde versie) kortere termijnen aangehouden dan voor het nemen van de memories van grieven en van antwoord −, rechtvaardigt dat nog niet de gevolgtrekking van het hof dat het recht om de antwoord-akte te nemen vervallen is: op grond van art. 2.15 LPR (vierde versie) kon nog een uitstel van
twee wekenworden verkregen. Daarom is niet voldaan aan de vereisten van art. 133 lid 4 Rv Pro en van art. 1.7 LPR. De klacht van subonderdeel 1.3 slaagt om deze reden. Voor zover [eiser] c.s. zou zijn ‘afgerekend’ op het feit dat abusievelijk in het H5-formulier werd verwezen naar artikel 2.11 LPR, in plaats van naar artikel 2.15, slaagt m.i. de klacht van subonderdeel 1.4. De rolbeslissing van 29 maart 2016 kan om deze redenen niet in stand blijven.