Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
of waarschijnlijk aanhangig zal worden, voor de gerechten, van welke zij leden of ministers zijn, of waarvoor zij postuleren, of onder het regtsgebied van welke zij behooren; alles op pene van nulliteit en van aan de belanghebbenden de kosten, schaden en interessen te moeten vergoeden.’ (cursivering toegevoegd)
litigieuxqui sont de la compétence du tribunal dans le ressort duquel ils exercent leurs fonctions, à peine de nullité, et des dépens, dommages et intérêts.’ (cursivering toegevoegd)
waarover gedingenaanhangigzijn voor de regtbank onder welker regtsgebied zij hunne bedieningen uitoefenen,op straffe van nietigheid, en vergoeding van kosten, schaden en interessen,”- vergeleken met art. 1597, C.N. [Code Napoleon]: “Les juges,”etc., “ne peuvent devenir cessionaires des
procès, droits et actionslitigieuxqui sont de lacompetencedu tribunal dans le ressort duquel ils exercent leurs fonctions, à peine de nullité et des dépens, dommages et intérêts,” — de navolgende opmerking:
bij de regtbank hangende processen,maar eveneens van litigieuse regten en actiën,
die tot het regtsgebied van de regtbank behoren, — men heeft het nut niet wel gevat der redactie van art. 12 (nu 1504), verschillende van die van art. 1597 des Pro Franschen wetboeks. Indien de bedoeling geweest zij, om het verkrijgen van regten niet boven mate te beperken, zoo komt het der afdeeling voor, dat door de uitdrukking van:
droits litigieux, in art. 1597 (C.N.), daarin reeds voorzien is; men meent, dat de redactie van het ontwerp te veel aanleiding heeft tot verkeerde praktijken.’ (cursiveringen conform het origineel)
competentieder regtbank behooren, maar beperkt tot die, welke voor dezelve werkelijk
aanhangig zijn’. (cursivering conform het origineel)
ratio legisvoor het Franse stelsel), maar hij laat vervolgens geen twijfel bestaan over wat sinds 1838 geldend recht is:
lex specialisvan art. 3:40 BW Pro (wat betreft de nietigheidssanctie) en art. 6:162 BW Pro (wat betreft de verplichting tot schadevergoeding). Welnu, voor de juiste begrenzing van art. 3:43 lid 1 aanhef Pro en onder a BW behoort de samenhang met deze meer algemene bepalingen medebepalend te zijn.
categorischde rechtsgevolgen van nietigheid en schadeplichtigheid. Art. 3:40 lid 1 BW Pro daarentegen verbindt de nietigheidssanctie aan een open norm, namelijk die van de goede zeden en de openbare orde. Art. 6:162 BW Pro verbindt de verplichting tot schadevergoeding mede aan een eveneens open norm, namelijk die van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De keuze van de wetgever om af te wijken van het Franse stelsel betekent niet dat een rechtshandeling die daardoor buiten het bereik van art. 3:43 lid 1 aanhef Pro en onder a BW valt steeds geldig is en evenmin dat nimmer schadevergoeding verschuldigd is. Anders dan in het geval van art. 3:43 lid 1 aanhef Pro en onder a BW kunnen de rechtsgevolgen van de handeling echter – ik zet de tegenstelling nu scherp aan – niet eenvoudig door deductie worden vastgesteld en dient in plaats daarvan een afweging plaats te vinden waarvoor alle omstandigheden van het geval (waaronder ook de in Nederland levende rechtsovertuigingen) bepalend zijn. [17]
ratio legissympathie voor het Franse stelsel heeft, reeds buiten art. 3:43 lid 1 aanhef Pro en onder a BW terecht kan. En in de tweede plaats: het categorische karakter van een norm, omdat het geen ruimte laat voor een afweging van de omstandigheden van het geval, [18] pleit voor een restrictieve toepassing ervan. Dat geldt te meer waar de zich in sommige gevallen voordoende bezwaren van die restrictieve toepassing door toepassing van andere, meer algemene normen kunnen worden opgevangen. [19]
in ieder opzichtniet aan de schuldenaar [kan] worden tegengeworpen totdat aan hem mededeling is gedaan’ (cursivering conform het origineel), betekent dat nog niet dat deze werking ten opzichte van de schuldenaar bij de toepassing van art. 3:43 lid 1 aanhef Pro en onder a BW bepalend zou kunnen zijn. Volgens de onder 2.12 aangehaalde Memorie van Antwoord bij art. 3:43 BW Pro is de ratio van die bepaling niet het bieden van bescherming, maar het dienen van het
algemeen belang.Daarbij past mijns inziens bijzonder slecht de opvatting volgens welke in geval van stille cessie
ten opzichte van de schuldenaar(als degene tegen wie het vorderingsrecht moet worden uitgeoefend in de zin van art. 3:93 lid 3 BW Pro) het tijdstip van de mededeling van de cessie voor de toepassing van art. 3:43 lid 1 aanhef Pro en onder a BW bepalend is. Consequentie van die opvatting zou bovendien zijn dat eenzelfde stille cessie tussen vervreemder en verkrijger geldig is (althans niet nietig op grond van art. 3:43 lid 1 aanhef Pro en onder a BW), terwijl zij tegelijk ten opzichte van de schuldenaar nietig is, hetgeen uiteraard praktische moeilijkheden oproept. Ten slotte nog: de bedoelde opvatting is in strijd met het beginsel dat de nietigheid van een rechtshandeling wegens strijd met de wet dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de rechtshandeling wordt verricht. [23]
bevoegdomtrent een verrekeningsverweer oordelen? Ik zeg ‘bevoegd’ omdat zij bevoegd oordelen over de vordering waartegen het verrekeningsverweer zich richt en hun bevoegdheid omtrent deze vordering die omtrent het verweer omvat (zie onder 2.33).