In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij centraal. Het hof had vastgesteld dat de betrokkene tussen 7 februari en 25 juni 2013 twee geslaagde oogsten had gerealiseerd, wat leidde tot een schatting van het voordeel van €21.000. De betrokkene voerde aan dat dit onbegrijpelijk was omdat de tweede oogst was mislukt door een fout met de belichting.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd was en niet onbegrijpelijk, mede gelet op netmetingen die het patroon van belichting bevestigden en de jonge leeftijd van de aangetroffen planten. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, omdat de stukken te laat waren ingediend en de uitspraak meer dan twee jaar op zich liet wachten.
Als gevolg hiervan werd het ontnemingsbedrag verminderd tot een gebruikelijke maatstaf, maar het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht was uitgegaan van twee geslaagde oogsten en het BOOM-rapport als basis voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De uitspraak benadrukt het belang van een tijdige procedure en een zorgvuldige motivering van het oordeel over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel in hennepteeltzaken.