Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste uitleg van artikel 189 lid 1 onder Pro 2 Sr als het hof van oordeel zou zijn dat verdachte het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft weggemaakt. Als het hof van oordeel zou zijn geweest dat verdachte andere sporen heeft weggemaakt door het lijk in een tapijt te wikkelen en te verslepen blijkt niet welke sporen op welke wijze zouden zijn weggemaakt.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het wegmaken van sporen van het misdrijf. Verdachte heeft het lijk niet buiten het huis gebracht en ook niet iets anders gedaan om het lijk te verbergen. Haar handelen was ook niet gericht op het wegmaken van sporen. Dat het hof impliciet het (voorwaardelijk) opzet op het wegmaken heeft aangenomen is onbegrijpelijk.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van het oogmerk om de nasporing of vervolging te bemoeilijken. Dezelfde bezwaren die zijn aangevoerd tegen het bewijs van het opzettelijk wegmaken dragen ook de klacht dat dit oogmerk niet kan worden bewezen.