Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel I.3klagen Imagine c.s. dat het dictum van het hof in conventie, waarin het vonnis van het GEA in conventie is vernietigd, in strijd is met het dictum in reconventie, waarin het vonnis van het GEA in reconventie is bekrachtigd. Waar in reconventie vaststaat dat de huurovereenkomst niet langer bestaat, had het hof in conventie moeten uitgaan van de geldigheid van de huurovereenkomst nu onderwerp van geschil was of de Stichting in de nakoming van de huurovereenkomst tekort was geschoten.
Subonderdeel II.1klaagt dat het hof ten onrechte in rechtsoverwegingen 3.4, 3.6 en 3.7 centraal heeft gesteld of de door Imagine c.s. aangevoerde tekortkomingen de Stichting te verwijten vallen. Voor ontbinding op grond van art. 6:265 BW Pro BES is niet vereist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Verwijtbaarheid speelt derhalve geen rol, en door verwijtbaarheid wel als doorslaggevend element mee te nemen bij de beantwoording van de vraag of Imagine c.s. de huurovereenkomst terecht hebben ontbonden, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
verwijtbaretekortkoming. Het is de vraag of dit terecht is.
subonderdeel II.2klagen Imagine c.s. dat voor zover het hof in de rechtsoverwegingen 3.4, 3.6 en 3.7 de tenzij-clausule van art. 6:265 lid 1 BW Pro BES tot uitgangspunt heeft genomen, het miskend heeft dat een overmachtssituatie waarop het hof doelt, niet valt onder de ‘bijzondere aard of geringe betekenis’ zoals bedoeld in art. 6:265 lid 1 BW Pro BES, nu de tenzij-clausule betrekking heeft op de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming.
subonderdeel II.4stellen Imagine c.s. dat het hof in rechtsoverwegingen 3.5 en 3.6 art. 128 Rv Pro BES heeft miskend, inhoudende dat de rechter feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende betwist, als vaststaand dient te beschouwen. [14] Imagine c.s. hebben verschillende stellingen betrokken die door de Stichting niet zijn weersproken, zodat het hof deze stellingen als vaststaand had moeten aannemen. Het subonderdeel somt onder II.4.1 die stellingen op.
onderdeel IIIbevatten voortbouwklachten en behoeven geen afzonderlijke bespreking.