Conclusie
advocaat: mr. K. Teuben
1.Feiten
Certificaat Biologische Productie Nederland" inhoudende dat Skal heeft vastgesteld dat de nader gespecificeerde producten en/of voortbrengingsprocessen van WPL voldoen
"aan de eisen voor de biologische productiemethode, voor de aangegeven categorie, overeenkomstig Verordening (EEG) Nr, 2092/91 zoals deze is of zal komen te luiden.”
3.Onze inschatting in totaalverband
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1aan de orde gesteld het oordeel van het hof dat WPL zich niet kan beroepen op de exoneratieclausule van art. 8 lid 5 en Pro lid 6 van haar algemene voorwaarden (hierna: het exoneratiebeding).
Onderdeel 2is gericht tegen ’s hofs oordeel dat de door WPL bedongen rente in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Beide onderdelen bevatten meerdere rechts- en motiveringsklachten.
Saladin/HBUis beslist dat het antwoord op de vraag of de exonerant zich op zijn exoneratie mag beroepen, afhankelijk is van de waardering van de omstandigheden van het geval (‘tal van omstandigheden’). [4] Daarbij kunnen de volgende omstandigheden relevant zijn:
Telfort/Scarameavolgt echter dat de drempel voor het aannemen van bewuste roekeloosheid lager is. [8] Het oordeel van het hof dat het Telfort onder de genoemde omstandigheden niet vrijstond een beroep te doen op de exoneratieclausule werd in cassatie in stand gelaten:
subonderdeel 1.1stelt WPL in de eerste plaats dat het hof ten onrechte de omstandigheden in rov. 3.1-6.5, die dienen ter onderbouwing van de tekortkoming van WPL, ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat sprake is van bewuste roekeloosheid.
dat Westland een aantal keuzes heeft gemaakt, waarvan zij zelf konden inschatten dat deze een verhoogd risico met zich meebracht”, en de verklaring van deskundige Eckert (verbonden aan Abcert) “
dat het niet om een kleine fout gaat” en
“[dat] hier een duidelijk fout te zien [is]”. Verder stelt het hof in rov 11.4) vast dat “
WPL zich ervan bewust [had] moeten zijn dat de door haar gemaakte keuzes tot schade zou kunnen leiden als door Kugelman geleden” en “
WPL (…) er derhalve alles aan [had] moeten doen om te voorkomen dat dit vertrouwen zou worden geschaad”, terwijl “
uit het hiervoor weergegeven opeenstapeling van fouten in het biologische proces, volgt dat WPL dit onvoldoende heeft gedaan, zodat sprake is van bewuste roekeloosheid.”
subonderdeel 1.2stelt WPL dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 11.2 op basis van “bovengenoemde omstandigheden” concludeert tot bewuste roekeloosheid van WPL, nu het hof niet duidelijk maakt welke omstandigheden het hof precies bedoelt en het hof een aantal essentiële stellingen van WPH onbesproken heeft gelaten.
Interpolis/Peetenis dit als volgt samengevat: [12]
Interpolis/Peetenis herhaald in
[A] / [B]. [13] Ook in die zaak had het hof de argumenten die door [A] waren aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat het beroep op het exoneratiebeding in de gegeven omstandigheden in strijd was met de redelijkheid en billijkheid, grotendeels onbesproken gelaten (het hof had alleen vastgesteld dat geen sprake was van grove schuld aan de zijde van [B] ). Ook daar werd het hof-arrest om die reden vernietigd.
gezien bovengenoemde omstandigheden (…) WPL door opzet dan wel bewuste roekeloosheid onaanvaardbare risico’s [heeft] genomen”, niet uitmunt in duidelijkheid doordat het hof niet expliciet heeft benoemd
welkebovengenoemde omstandigheden dit zijn. Daardoor zou onduidelijkheid kunnen bestaan over de vraag op grond van welke omstandigheden het hof nu precies tot het oordeel is gekomen dat het beroep van WPL op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Waaromhet hof van oordeel is dat sprake is van het nemen van onaanvaardbare risico’s door WPL en daarmee van bewuste roekeloosheid van WPL, is af te leiden uit de zeer uitvoerige uiteenzettingen van het hof in de voorafgaande rechtsoverwegingen. Deze kunnen puntsgewijs als volgt worden weergegeven:
Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
subonderdeel 1.4stelt WPL dat het hof in rov. 11.2 van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan dan wel zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, door het oordeel in rov. 11.2 dat WPL door opzet dan wel bewuste roekeloosheid onaanvaardbare risico’s heeft genomen, mede te baseren op de getuigenverklaring van De Groot geciteerd in rov. 11.3. De Groot gebruikt daar de term ‘onbewuste risico’s’, maar alleen het nemen van
bewusterisico’s kan bewuste roekeloosheid opleveren.
WPL heeft het productieproces zo ingericht dat ze bewust of onbewust risico’s hebben genomen”). In rov. 11.3 haalt het hof immers ook De Groot aan waar zij verklaart: “
Dit zijn onaanvaardbare risico’s. (…) Ik denk dat Westland een aantal keuzes heeft gemaakt, waarvan zij zelf konden inschatten dat deze een verhoogd risico met zich meebracht. De plaatsing van biologische planten tussen gangbare planeten en het gebruik van dezelfde machine voor gangbare behandeling als voor biologische behandeling bijvoorbeeld”. Bovendien verwijst het hof naar de verklaring van deskundige Eckert: “
Het feit dat in meerdere leveringen groene pillen gevonden zijn duidt erop dat het niet om een kleine fout gaat. Er moet dan eigenlijk een systematische fout in de procedure zitten. (…) Hier is een duidelijke fout te zien.”. Dat het hof uit deze beide verklaringen van deskundigen afleidt dat WPL onaanvaardbare risico’s heeft genomen, is zeker niet onbegrijpelijk. Hierbij is nog op te merken dat het nemen van onaanvaardbare risico’s het hof leidt tot de conclusie dat sprake is van ‘bewuste roekeloosheid’. Zoals hiervoor is besproken, kan van ‘bewuste roekeloosheid’ ook sprake zijn zonder een daarop gerichte (subjectieve) intentie van de schadeveroorzaker (zie onder 3.4).
subonderdeel 1.6stelt WPL dat de ‘ernstige waarschuwing’ van 23 oktober 2006 waar het hof in rov. 11.2 naar verwijst, niet redengevend kan zijn voor het oordeel dat ten aanzien van de leveringen aan [betrokkene 1] bewust risico’s zijn genomen, althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat een enkel incident, zoals deze waarschuwing, die los staat van de leveringen aan [betrokkene 1] , een rol kan spelen bij de beoordeling van opzet of bewuste roekeloosheid.
zodatsprake is bewuste roekeloosheid, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Een tekortschieten in een inspanningsverplichting levert namelijk niet zonder meer bewuste roekeloosheid op. De beslissing is bovendien onbegrijpelijk omdat het hof niet duidelijk maakt om welke opeenstapeling van fouten het zou gaan.
Telfort/Scaramea(zie onder 3.4). Anders dan het subonderdeel betoogt wordt aan WPL niet tegengeworpen dat zij tekort is geschoten in een op haar rustende inspanningsverplichting, door er niet alles aan te doen om te voorkomen dat het vertrouwen zou worden geschaad. Overigens doelt het hof daarmee kennelijk op het vertrouwen
van de markt. Aan WPL wordt tegengeworpen, kort samengevat, dat zij een opeenstapeling van fouten heeft gemaakt, waarvoor zij én gewaarschuwd was én – gelet op de markt in biologische producten, die in belangrijke mate berust op vertrouwen – had kunnen weten dat deze tot schade zou kunnen leiden als door [betrokkene 1] geleden is. Dat het hof dit in de gegeven omstandigheden kwalificeert als bewuste roekeloosheid getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Om welke opeenstapeling van fouten het gaat, heeft het hof zeer uitvoerig besproken in rov. 3.1-5.12, met een korte samenvatting van de daardoor veroorzaakte tekortkomingen in rov. 6.1 (geen biologisch zaad gebruikt voor geleverde planten maar NCB-zaad waarvoor geen toestemming is aangetoond, contaminatie geleverde planten met verboden gewasbeschermingsmiddelen, voor een deel van de geleverde planten chemisch behandeld zaad gebruikt).
subonderdeel 1.8had het hof alvorens te concluderen tot opzet of bewuste roekeloosheid, moeten onderzoeken of het ging om bewuste roekeloosheid van WPL of met de leiding van WPL belaste personen. Het hof had nader moeten motiveren dat de bewuste roekeloosheid geen betrekking had op bewuste roekeloosheid aan de zijde van niet-leidinggevende ondergeschikten. In ieder geval had het hof die motivering moeten geven met betrekking tot de besmetting van planten in de kassen van WPL met tolclopusmethyl, ten aanzien waarvan het hof getuigenverklaringen van Wilders en De Groot aanhaalt in rov. 4.13 en waaruit volgt dat deze stof door een menselijke fout op biologische planten is beland.
de bedrijfsleidingvan WPL een verwijt van bewuste roekeloosheid kan worden gemaakt. Dat dit verwijt aan de bedrijfsleiding kan worden gemaakt, heeft [betrokkene 1] gesteld in onder meer de memorie van grieven. [14] WPL heeft in reactie daarop weliswaar aangevoerd dat mogelijk sprake is geweest van een ‘eenmalige menselijke fout’, [15] maar heeft niet gesteld dat sprake is geweest van fouten die zijn te wijten aan handelingen van niet tot de bedrijfsleiding behorende ondergeschikten. Partijen hebben dan ook niet verder gedebatteerd over, bijvoorbeeld, de vraag of er al dan niet voldoende toezicht op de ondergeschikten was of dat wellicht ondeskundig personeel is ingezet. [16] Bij gebreke van een hierop toegespitst debat hoefde het hof niet nader te onderzoeken of de fouten in het biologische productieproces terug te voeren waren op handelen van niet-leidinggevende ondergeschikten, [17] maar kon het volstaan met het oordeel dat WPL een verwijt van bewuste roekeloosheid kan worden gemaakt. Daarmee faalt het subonderdeel.
eerstmoet onderzoeken of een beroep op een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en
vervolgensof het om deze reden ontzeggen van een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is niet juist. Het gaat om één, integrale toetsing van de vraag of het beroep op een exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die ene, integrale toetsing dient plaats te vinden aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, dus zowel de feiten en omstandigheden die daarvóór pleiten als die daartégen pleiten. Door WPL zijn in dit verband geen specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd (anders dan de stellingen genoemd bij subonderdeel 1.2) die het hof onbesproken heeft gelaten. De omstandigheid dat door het faillissement van [betrokkene 1] sprake kan zijn van een zeer hoge schade waarvoor WPL aansprakelijk wordt gehouden, is in feitelijke instanties niet aangevoerd. Wat de hoogte van de schade is, is overigens nog onbekend en is door het hof ook niet meegewogen. Voor wat betreft de in subonderdeel 1.2 genoemde stellingen zij verwezen naar wat daarover hiervoor reeds is opgemerkt.
Hiermee faalt het subonderdeel.
subonderdeel 2.1verwijt WPL het hof in rov. 8.1 uit te zijn gegaan van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding in de zin van art. 6:233 lid 1 BW Pro. Dit artikel is echter niet van toepassing omdat [betrokkene 1] in het buitenland is gevestigd (art. 6:247 lid 2 BW Pro), althans is het oordeel dat de bepaling van toepassing is onbegrijpelijk.
uitdrukkelijke(in de zin van: expliciete) aanvaarding nodig is, [26] dan nog kan de klacht van subonderdeel 2.1 niet leiden tot vernietiging van het arrest. Het hof heeft zijn oordeel immers niet alleen gebaseerd op art. 6:233 lid 1 BW Pro, maar heeft ook geoordeeld (“
voorts”) dat een beroep op de bedongen rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov. 8.2). [betrokkene 1] had dit ook aangevoerd, los van zijn beroep op art. 6:233 lid 1 BW Pro. [27] Het subonderdeel kan derhalve alleen tot vernietiging leiden indien ook die tweede grondslag van ’s hofs oordeel – waartegen subonderdeel 2.2 is gericht – geen stand houdt. Hierna zal worden besproken dat subonderdeel 2.2 faalt en die tweede grondslag dus wel standhoudt.
wederpartijvan de gebruiker van de algemene voorwaarden. Dat betekent dat niet van doorslaggevend belang zal zijn welke argumenten de
gebruikerheeft ten faveure van die voorwaarden. Of WPL met de rente van 24% productiekosten heeft willen dekken, is daarmee niet van wezenlijk belang voor de beoordeling van het bezwarende karakter. Voor de buitengerechtelijke kosten geldt dat het hof aan WPL daarvoor een bedrag van € 2.842,- heeft toegewezen.
Hiermee faalt subonderdeel 2.2.
subonderdeel 2.3stelt WPL dat onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof om in plaats van de contractuele rente van 24% per jaar de wettelijke handelsrente toe te wijzen.