Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ1984/566 m.nt. W.H. Heemskerk, waaruit het onderdeel afleidt dat uitspraken van (de voorzieningenrechter in) de rechtbank in executiegeschillen steeds appellabel zijn. Aldus doet zich, volgens de klacht, de in art. 332 lid 1 Rv Pro bedoelde uitzonderingssituatie voor dat “de wet anders bepaalt” (vgl. art. 705 Rv Pro).
NJ1984/566 m.nt. W.H. Heemskerk. Het ging in die zaak om de invordering bij dwangbevel van een opgelegde heffing. De heffingsdebiteur, genaamd Vriend, was daartegen in verzet gekomen bij de rechtbank op de voet van art. 127 lid 4 van Pro de Wet op de Bedrijfsorganisatie. Na afwijzing van zijn vordering stelde deze rechtstreeks cassatieberoep in, kennelijk indachtig de appelgrens voor vonnissen van de kantonrechter die toen was neergelegd in art. 38 (oud) RO. [30] De Hoge Raad verklaarde de heffingsdebiteur niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep omdat op grond van het toenmalige art. 54 (oud) RO voor vonnissen
van de rechtbankgeen appelgrens gold en de beslagdebiteur dus hoger beroep had kunnen instellen. De Hoge Raad overwoog, voor zover van belang:
bij gebreke van een wettelijke uitsluiting of beperkingvan appel – zoals eertijds onder het regime van art. 54 RO Pro (oud) – hoger beroep kan worden ingesteld. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.
partijenzijn uitgegaan van een gelijkschakeling van de waarde van de opheffingsvordering met nevenvorderingen en de vordering waarvoor het beslag was gelegd, richt het middel geen klacht. Het onderdeel faalt omdat het hof de waarde van de vorderingen heeft mogen bepalen met inachtneming van de desbetreffende stellingen van partijen.
onbepaaldewaarde in de zin van art. 332 lid 1 Rv Pro. In dat geval heeft het hof volgens de klacht miskend dat deze vorderingen ‘aard’-vorderingen en geen ‘waarde’-vorderingen zijn, en dat van een vonnis in kort geding over aardvorderingen als deze steeds hoger beroep openstaat. Het onderdeel verwijst in dit verband naar art. 705 in Pro verbinding met art. 254 e.v. Rv.
bepaaldewaarde vertegenwoordigen, namelijk dezelfde als de vordering van Univé ad € 790,80. Overigens lijkt het onderdeel de in art. 332 lid 1 Rv Pro neergelegde criteria voor appellabiliteit (vorderingen van bepaalde waarde tegenover vorderingen van onbepaalde waarde) ten onrechte op één lijn te stellen met de in art. 93 Rv Pro neergelegde criteria voor bevoegdheid van de kantonrechter (‘waarde’-vorderingen tegenover ‘aard’-vorderingen). Ik memoreer in dit verband dat de appelgrens ook geldt voor aardvorderingen (zie alinea 2.5 hiervoor) en dat het onderscheid tussen kantonzaken en niet-kantonzaken naar huidig recht niet (meer) van invloed is op de appellabiliteit (zie alinea 2.8).
conservatoirbeslag.
NJ2007/637, waarnaar het hof verwijst. In die zaak ging het om een niet-appellabel vonnis van een kantonrechter, waarvan (slechts) binnen de grenzen van art. 80 lid 1 RO Pro cassatieberoep openstond. Vandaar dat het hof refereert aan “een cassatieberoep op de voet van art. 80 lid 1 RO Pro”. Anders dan het onderdeel veronderstelt, ligt hierin niet het oordeel besloten dat ook in de onderhavige zaak (slechts) op de beperkte gronden van art. 80 lid 1 RO Pro cassatieberoep had kunnen worden ingesteld. Bovendien faalt het onderdeel bij gebrek aan belang, omdat het hof met juistheid heeft overwogen dat de appelgrens niet kan worden doorbroken en de verwijzing naar art. 80 lid 1 RO Pro niet dragend is voor dat oordeel.