ECLI:NL:PHR:2018:287
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende waarborg bij afstand van rechtsbijstand in hoger beroep
In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag verdachte veroordeeld voor opzettelijke beschadiging en diefstal tot een gevangenisstraf van een week. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was de raadsman van verdachte niet verschenen omdat deze niet was opgeroepen. Het hof heeft de behandeling voortgezet nadat verdachte had verklaard zonder bijstand van zijn raadsman behandeld te willen worden, ondanks dat verdachte aangaf niet te weten waar de zaak over ging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de afstand van rechtsbijstand door verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig was. Het hof heeft nagelaten de motieven van verdachte te onderzoeken en hem te informeren over het belang en de consequenties van afstand van rechtsbijstand, terwijl verdachte bovendien een tolk nodig had vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat afstand van rechtsbijstand alleen rechtsgeldig is indien deze weloverwogen en geïnformeerd is genomen. Het hof had verdachte moeten wijzen op de mogelijkheid om met de aanwezige raadsman te overleggen en hem de gevolgen van zijn keuze duidelijk moeten maken. Door dit te nalaten is sprake van een motiveringsgebrek en schending van het recht op een eerlijk proces.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van het beroep, waarbij de waarborgen voor rechtsbijstand in acht moeten worden genomen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende waarborg bij afstand van rechtsbijstand en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.