ECLI:NL:PHR:2018:294
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep schuldwitwassen wegens onvoldoende onderbouwd verweer
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens schuldwitwassen, gepleegd tussen 2006 en 2013, waarbij zij geldbedragen, voertuigen en luxe goederen gebruikte die vermoedelijk uit misdrijf afkomstig waren. Het hof baseerde zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder gegevens van de Belastingdienst en verklaringen over de relatie tussen verdachte en medeverdachte, die veroordeeld was voor een gewelddadig misdrijf.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist en ook niet hoefde te vermoeden dat de goederen en gelden van criminele herkomst waren, mede vanwege een vertrouwensrelatie en vermeende legale handel van de medeverdachte in zonnebanken en horloges. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de verdachte onderzoeksplicht had en dat de feiten en omstandigheden het vermoeden van criminele herkomst rechtvaardigden.
In cassatie klaagde de verdediging dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het verweer werd verworpen en niet was ingegaan op het vertrouwensaspect. De Procureur-Generaal stelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van art. 80a RO, omdat het verweer niet uitdrukkelijk en voldoende onderbouwd was.
De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waarmee de veroordeling van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.