FloraHolland vorderde schadevergoeding wegens de vermeende diefstal van 278 Deense karren met legborden, waarvan zij stelt dat deze door verweerder of in zijn opdracht zijn ontvreemd van de zolder boven de door verweerder gehuurde boxruimte. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat FloraHolland voldoende bewijs had geleverd en veroordeelde verweerder tot betaling van schadevergoeding. Het hof stelde echter bij hoger beroep dat FloraHolland niet was geslaagd in het bewijs dat de karren daadwerkelijk van de zolder naar de boxruimte waren verplaatst en vernietigde de eerdere vonnissen.
In cassatie klaagt FloraHolland over het oordeel van het hof dat de diefstal niet bewezen is, met name over de interpretatie van de camerabeelden waarop volgens FloraHolland duidelijk de verplaatsing van de karren te zien zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een begrijpelijk feitelijk oordeel heeft gegeven en dat de beelden onvoldoende specifiek zijn om de diefstal te bewijzen. Ook de overige aangevoerde bewijzen en verklaringen zijn volgens het hof en de Hoge Raad onvoldoende overtuigend.
Verder wijst de Hoge Raad klachten over de onderbouwing van de vordering wegens huurderving af, omdat deze onvoldoende is toegelicht. Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere afwijzing van de vorderingen door het hof blijft in stand.