De verdachte was tijdens de behandeling van zijn hoger beroep in een andere strafzaak gedetineerd. Het hof verleende verstek tegen de niet verschenen verdachte en vervolgde de behandeling buiten zijn aanwezigheid. Uit overgelegde stukken, waaronder een meldingsformulier inverzekeringstelling, vordering tot inbewaringstelling, verhoorproces-verbaal en bevel tot bewaring, bleek dat de verdachte op dat moment daadwerkelijk in detentie verkeerde.
De Hoge Raad oordeelde dat het verstek verlenen onjuist was omdat de verdachte niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn. Gezien het grote belang van aanwezigheid bij de behandeling, moet de zaak opnieuw worden behandeld in aanwezigheid van de verdachte.
Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling en beslissing. Er is samenhang met een andere zaak (16/06308) die eveneens wordt behandeld.