Conclusie
eerste middelvalt uiteen in drie klachten, die alle betrekking hebben op de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. De eerste klacht luidt dat het bewijs in overwegende mate is gebaseerd op de (politie)verklaringen van [betrokkene 1] , die, doordat zij zich nadien op een haar toekomend verschoningsrecht beriep, niet advisair kon worden ondervraagd door de verdediging, zulks zonder dat voldoende ‘counterbalancing factors’ aanwezig waren. De tweede klacht houdt in dat de in verhalende promis-trant opgestelde bewijsmotivering niet duidelijk maakt welk materiaal precies voor het bewijs is gebruikt en integendeel ernstige reden voor het vermoeden geeft dat materiaal is verwerkt dat ingevolge art. 384, derde lid, Wetboek van Strafvordering Curaçao niet gebruikt mocht worden. Volgens de derde klacht maakt de bewijsmotivering niet duidelijk in hoeverre de bewezenverklaring mede berust op de bij de eerste klacht genoemde (politie)verklaringen van [betrokkene 1] .
“4. Bewijsbeslissingen
“Aanvullende bewijsoverwegingen
tweede middelklaagt in de kern dat het Gemeenschappelijk Hof aan de door hem geconstateerde tijdelijk onrechtmatige voorlopige hechtenis gedurende drie dagen niet een andere sanctie dan de enkele vaststelling daarvan heeft verbonden.
Onrechtmatige vrijheidsberoving