Conclusie
eerste middelvalt uiteen in twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof niet de inhoud heeft weergegeven van de tot het bewijs gebezigde tapgesprekken waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede is gestoeld. De tweede klacht houdt in dat het hof de periode waarop de bewijsmiddelen betrekking hebben representatief heeft geacht voor de gehele bewezenverklaarde periode, hetgeen onbegrijpelijk is gelet op hetgeen de verdediging daartegen heeft aangevoerd.
drugsgerelateerd” zijn. Zo is het hof wat betreft cocaïne uitgekomen op 208 gesprekken. Daarvan heeft het hof uitgezonderd de tapgesprekken die niet hebben geleid tot een drugsdeal. De telefoongesprekken die wel hebben geleid tot een drugsdeal betreffen die gesprekken waarin volgens de bewijsconstructie wordt gesproken van ‘donker’, ‘bruin’ en ‘zwart’ (heroïne), alsook gesprekken waarin wordt gesproken in termen als ‘wit’, ‘licht’, ‘wit gekookt’, ‘zacht licht’, ‘niet gekookt’, ‘klaar’ en ‘niet klaar’ en ‘rauw’ (cocaïne).
Overzicht dealafspraken en transacties uit tapgesprekken van [betrokkene 1]”. Daarin staan aangegeven de tap (nummer 04 en 06) en het nummer van de tap, zoals vermeld in de bewijsconstructie. De weergegeven inhoud van die taps beperkt zich hoofdzakelijk tot de termen die ik hierboven heb genoemd.
De veroordeling van veroordeelde ziet op de periode van 1 januari 2002 tot en met 7 oktober 2008. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof aannemelijk dat veroordeelde in die gehele periode wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de handel in cocaïne en heroïne. Het hof is bij gebreke van een opgave van de veroordeelde van oordeel dat zijn verdiensten gedurende de referentieperiode representatief zijn voor de gehele periode, zodat zij kunnen worden geëxtrapoleerd over de niet onderzochte periode. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de referentieperiode voor wat betreft de gemiddeld dagelijks verkochte hoeveelheden harddrugs afwijkt van de overige maanden. Het hof ziet dan ook geen enkele aanleiding bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te gaan van vijftig procent van de in de referentieperiode verkochte hoeveelheden cocaïne en heroïne. Evenmin ziet het hof aanleiding om de hoeveelheden en bedragen, waarvan niet bekend is of het cocaïne of heroïne betreft, buiten beschouwing te laten. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat het hof, zoals hiervoor overwogen, in het voordeel van veroordeelde heeft aangenomen dat het cocaïne betreft.”
“ [betrokkene 1] heeft verklaard over de verkoopprijzen en de frequentie”, maakt ’s hofs overwegingen niet alsnog onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt over schending van de inzendtermijn. Cassatie is ingesteld op 29 juli 2016 en blijkens een daartoe geplaatste stempel is het dossier binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad op 19 mei 2017. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden.