Conclusie
eerste middelvalt uiteen in twee klachten.
anderebewijsmiddelen ten grondslag zijn gelegd.
in het voordeel” van de betrokkene, doch feitelijk ten nadele van de betrokkene is uitgegaan van de verkoop van heroïne in plaats van cocaïne.
in het voordeel” van de betrokkene uitgaande van de lagere winstmarge, de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel met € 143,- naar beneden moeten worden bijgesteld. In zoverre slaagt de klacht. Het komt mij voor dat de Hoge Raad de betalingsverplichting om redenen van doelmatigheid ambtshalve kan corrigeren.
tweede middelklaagt over schending van de inzendtermijn. Cassatie is ingesteld op 29 juli 2016 en blijkens een daartoe geplaatste stempel is het dossier binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad op 19 mei 2017. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden.