Conclusie
middelbehelst de klacht dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde onverenigbaar is met art. 14c, tweede lid, Sr.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die hierin naar voren zijn gekomen, met name zijn autistische stoornis en zijn psychische gesteldheid als gevolg van suïcidale en depressieve klachten waarvoor hij ten tijde van het tenlastegelegde in behandeling was, is het hof van oordeel dat de verdachte dringend verdere professionele hulp en begeleiding nodig heeft en derhalve acht het hof een onvoorwaardelijke straf niet opportuun. Het hof betrekt hierbij dat zulks ook de uitdrukkelijke ter terechtzitting in hoger beroep uitgesproken wens van het slachtoffer is. Het hof zal om die reden een na te noemen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daaraan een bijzondere voorwaarde verbinden, zodat de benodigde hulp aan de verdachte kan worden geboden.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof voorts van oordeel dat met een daaraan te verbinden voorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren kan worden volstaan.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
(…)
Het hof:
(…)
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet melden bij de reclassering of een door de reclassering nader te bepalen instelling, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en dat de veroordeelde zich voorts houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als die aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zich ambulant of klinisch moet laten behandelen.
(…)”
NJ2013, 132 overwogen dat de rechtspraak ten aanzien van art. 14c (oud) Sr ook van toepassing is op het nieuwe art. 14c Sr. [4] Dit brengt mee dat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling en, zo ja, voor welke maximale duur, ook naar huidig recht aan de rechter is voorbehouden. [5]