Conclusie
1.Feiten
Conclusie
Preventiemaatregelen
zoniet, dan stel ik voor dat we de risico’s van inbraak en vandalisme na inbraak uitsluiten van dekking en de premies als volgt verlagen:
Bent u verzekerd voor deze schade?
2.Procesverloop
“zoniet, dan stel ik voor dat we de risico’s van inbraak en vandalisme na inbraak uitsluiten van dekking en de premies als volgt verlagen…”ziet op de situatie dat [eiseressen] er voor zouden kiezen geen aanvullende preventiemaatregelen te treffen en het voorbehoud in werking zou treden. In dat geval stelt ABN AMRO voor de verzekering gewijzigd voort te zetten tegen een verlaagde premie. Dit blijkt ook uit de passage
“klant kan kiezen voor beperking van dekking en premieverlaging”verderop in de email van 25 november 2013. [eiseressen] hadden echter ook de keuze de verzekering tegen inbraakschade elders onder te brengen.”
3.Bespreking van de cassatieklachten
contra proferentem.De uitleg
contra proferentemheeft een relatief beperkt toepassingsgebied: zij ziet niet op polisvoorwaarden die eenduidig zijn (uit te leggen), in die zin dat over de betekenis van de bepaling in redelijkheid geen twijfel kan bestaan. [10] Daarvan is hier sprake. Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen uit rov. 5.9 volgt dat naar ’s hofs oordeel geen onduidelijkheid bestond over de uitleg van de poliswaarden. Onder die omstandigheden komen we aan uitleg
contra proferentemniet toe, zodat deze, anders gezegd, geen toepassing vindt. Dit betekent dat
subonderdeel IBfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel IDzou het hof met zijn uitleg in rov. 5.3 van het voorbehoud op het polisblad van 17 oktober 2013 hebben miskend dat bij de uitleg van (een beding in) een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. [11] Het subonderdeel voert daartoe aan dat het hof niet kenbaar heeft gerespondeerd op de volgende door [eiseressen] gestelde omstandigheden:
1 januari 2014; [15]
“is niet verplicht; klant kan kiezen voor beperking van dekking en premieverlaging”; [17]
“is niet verplicht; klant kan kiezen voor beperking van dekking en premieverlaging.” Het hof heeft deze passage gelezen in samenhang met de volgende zinsnede uit diezelfde e-mail:
“zoniet, dan stel ik voor dat we de risico’s van inbraak en vandalisme na inbraak uitsluiten van dekking en de premies als volgt verlagen…”Naar het oordeel van het hof volgt uit deze passages dat ABN AMRO voorstelt de verzekering gewijzigd voort te zetten tegen een verlaagde premie. Die voorgestelde wijziging bestaat er dan uit dat de risico’s van inbraak en vandalisme na inbraak worden uitgesloten van dekking. Daarmee is het hof voldoende ingegaan op de verwijzing naar de aangehaalde passage uit de e-mail van 25 november 2013.
“p.s. ik heb de nwe jaarpremie per 1 mrt. ontvangen en inderdaad is de premie niet verlaagd conform email voorstel in december….. Blijkbaar betaal ik nog steeds voor inbraakdekking op de [a-straat 1] terwijl ik niet meer verzekerd ben….”(hiervoor randnummer 1.14). Kennelijk ging ook [betrokkene 2] ervan uit dat de premienota niet in overeenstemming was met de gemaakte afspraken.
subonderdeel IDook faalt.
onderdeel Imijns inziens geen doel treft.
subonderdeel IIIA(randnummers 32.-36.). In randnummer 32. wordt vooropgesteld dat de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat de polis dwingend bewijs oplevert van het bestaan en de inhoud van de verzekeringspolis. Randnummer 35. bevat het betoog dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover is miskend dat de polis dwingend bewijs oplevert. Verder zou het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden wanneer het hof van oordeel is dat niet van de dwingende bewijskracht van de polis behoeft te worden uitgegaan. Voor zover het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting zou, zo wordt in randnummer 36. gesteld, onbegrijpelijk zijn waarom de schadeaanspraak is afgewezen met de overweging dat [eiseressen] ervan in kennis waren gesteld dat het polisblad van 7 maart 2014 op het punt van de inbraakverzekering nog zou worden aangepast en dat [eiseressen] er niet gerechtvaardigd op konden vertrouwen dat zij nog steeds tegen inbraak verzekerd waren. Volgens [eiseressen] had het hof de polis tot uitgangspunt moeten nemen en moeten beoordelen of ABN AMRO is geslaagd in het op haar rustende tegenbewijs.
onderdeel IIIvergeefs is voorgesteld.
onderdeel IVwordt naar voren gebracht dat [eiseressen] mede aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat het beroep van ABN AMRO op verval van uitkering in het onderhavige geval onaanvaardbaar is en dat ABN AMRO deze onderbouwing van de vordering heeft onderkend. [eiseressen] wijzen in dat verband op randnummer 5.18. van de inleidende dagvaarding. Nu het hof het beroep van ABN AMRO op verval van dekking honoreert en [eiseressen] dit verweer niet hebben prijsgegeven, had het hof volgens [eiseressen] dienen te beoordelen of het beroep op verval van dekking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
onderdeel IVtreft geen doel. Blijkens randnummer 5.18. van de inleidende dagvaarding hebben [eiseressen] aan hun beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ten grondslag gelegd dat ABN AMRO niet ondubbelzinnig aan [eiseressen] heeft meegedeeld dat zij niet meer waren verzekerd en dat ABN AMRO bewust een situatie heeft gecreëerd waarin het voor de verzekerde niet meer duidelijk was of hij wel of niet was verzekerd tegen inbraak of vandalisme. Het hof heeft dienaangaande overwogen dat [eiseressen] door middel van de e-mail van [betrokkene 4] van 13 maart 2014 ervan in kennis zijn gesteld dat het polisblad van 7 maart 2014 op het punt van de inbraakverzekering nog zou worden aangepast en dat een restitutie van de betaalde premie zou plaatsvinden. In deze e-mail is meegedeeld dat aanpassing van de premie en restitutie zal plaatsvinden, nadat de overige punten (o.a. ten aanzien van de elektrische installatie, de taxatie en de zonnecollectoren) zijn ‘kortgesloten’ (vonnis 8 juli 2015, rov. 4.6., onbestreden). Het hof heeft in dat verband eveneens overwogen dat uit de e-mails van [betrokkene 2] van 21 januari 2014, 6 maart 2014 en 11 maart 2014 blijkt dat hij er zelf ook vanuit ging dat [eiseressen] niet langer verzekerd waren tegen inbraak. In die overwegingen ligt een verwerping besloten van het standpunt van [eiseressen] dat ABN AMRO onduidelijkheid heeft laten bestaan over de dekking. Het hof behoefde daarom niet nader in te gaan op het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. In dit verband verdient vermelding dat het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid uitsluitend in eerste aanleg is gedaan en in hoger beroep niet is herhaald.