Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Villa Vredeoord heeft de grondslag van haar vorderingen in conventie en de formulering ervan aangepast. Volgens Villa Vredeoord handelde Vieya in strijd met de precontractuele eisen van redelijkheid en billijkheid, met haar mededelingsplicht, met haar maatschappelijke zorgvuldigheid en met haar contractuele verplichtingen, door het pand na 1 mei 2014 niet aan haar te koop aan te bieden en tijdens de onderhandelingen over de allonge van 28 mei 2014 te verzwijgen dat zij inmiddels het pand had verkocht. Casade heeft de vorderingen van Villa Vredeoord bestreden. Tegen Vieya is verstek verleend. Het hof overweegt dat in de procedure alleen Casade (als rechtsopvolger onder algemene titel van Vieya) de wederpartij van Villa Vredeoord is. [1]
precontractuele situatie. Villa Vredeoord heeft in haar brief van 28 april 2014 aangekondigd dat zij een bod zou doen wanneer zij daarvoor de financiering zou verwerven. Dat was gezien de ontbinding van de koopovereenkomst vanwege juist het financieringsvoorbehoud niet op korte termijn te verwachten. In ieder geval heeft Villa Vredeoord in haar brief van 28 april 2014 geen concrete aanwijzingen daarvoor vermeld. Dat Vieya kort daarop de haar ten opzichte van Villa Vredeoord toekomende ruimte heeft benut door een koopovereenkomst te sluiten met een derde, stond haar vrij en kan niet worden aangemerkt als onzorgvuldig of onrechtmatig jegens Villa Vredeoord. Op Vieya rustte op dat moment ook niet de verplichting om de voorgenomen verkoop van het bedrijfspand aan een derde met Villa Vredeoord af te stemmen. Villa Vredeoord had immers de mogelijkheid om het pand zelf te verwerven zojuist voorbij laten gaan.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdelen 1.2 en 1.3.
subonderdeel 1.4is de hierboven geciteerde derde volzin van rov. 4.15 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd om de in subonderdeel 1.1 vermelde redenen. Nu ook deze klacht louter voortbouwt op subonderdeel 1.1, dient zij eveneens te falen.
subonderdeel 1.5die is gericht tegen de tweede volzin van rov. 4.16. [3]
Subonderdeel 2.1vermeldt dat art. 10.1 van de allonge van 28 mei 2014 het voorkeursrecht van de huurder verbindt aan de situatie dat de verhuurder gedurende de looptijd van de huurovereenkomst wenst over te gaan tot ‘
vervreemding van het gehuurde’. Nu de levering van het pand plaats vond op 12 september 2014, dus na 28 mei 2014, was Vieya/Casade verplicht het op dat moment aan de huurder aan te bieden. Villa Vredeoord heeft dit ook gesteld in de MvG p. 19-20.
subonderdeel 2.2stelt, heeft het hof de bedoelde stellingen van Villa Vredeoord niet verkeerd gelezen, zodat deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 3.1heeft het hof in rov. 4.17 miskend dat Casade op basis van deze stellingen aansprakelijk is of kan zijn dan wel nagelaten op deze stellingen (toereikend) te reageren. Indien het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een onrechtmatige daad, dan had het ex art. 25 Rv Pro moeten onderzoeken of er aansprakelijkheid was op grond van art. 6:74 BW Pro respectievelijk de redelijkheid en billijkheid. Volgens
subonderdeel 3.2is een andere lezing van deze stellingen, indien het hof daarvan is uitgegaan, onbegrijpelijk.
subonderdelen 3.3 en 3.4klagen, kort gezegd, dat onbegrijpelijk is dat het hof deze grondslag voor aansprakelijkheid niet in de stellingen van Villa Vredeoord heeft gelezen.
onderdeel 3stuiten hierop af.