Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Bij toevoeging van deze bepaling zal, bij instemming door college en de gemeenteraad, voor het overige verkoop, planontwikkeling en realisatie plaatsvinden conform het derde concept van de samenwerkingsovereenkomst uitbreiding hotel Schylge d.d. 8 april 2013.
Na ontvangst van de schriftelijke bevestiging van deze afspraken door [betrokkene 1] zal het college in haar eerstvolgende voltallige vergadering een besluit nemen en de raad vervolgens om een principebesluit vragen.
meer subsidiair:voor recht te verklaren dat de Gemeente ten opzichte van haar onrechtmatig heeft gehandeld en de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [25]
Grief 1is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het college met betrekking tot de samenwerkingsovereenkomst uitdrukkelijk het totstandkomingsvoorbehoud van instemming door de gemeenteraad heeft gemaakt (rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 van het vonnis van 11 februari 2015). Schylge Beheer heeft aangevoerd dat zij altijd heeft gedacht en ook heeft mogen denken dat de raad niet bevoegd was ter zake van het al dan niet sluiten van de samenwerkingsovereenkomst en dat de stem van de raad enkel zag op de verdere planologische uitwerking van het project. Volgens Schylge Beheer valt dat af te leiden uit de gehele gang van zaken, zoals die heeft plaatsgevonden vanaf 2012 tot met 2013, waarbij zij heeft verwezen naar besprekingen, e-mails, brieven, planningen en met name ook de verklaring van oud-burgemeester Visser. Schylge Beheer heeft benadrukt dat de gemeenteraad zich in mei 2012 positief heeft uitgelaten over haar plannen.
"Tevens heeft in mei 2012 een informatieavond voor de gemeenteraad plaatsgevonden, waarbij [betrokkene 1] de plannen van Hotel Schylge Beheer B. V. uiteen heeft gezet."
grief 2komt Schylge Beheer op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat een beroep van de Gemeente op een door haar gemaakt totstandkomingsvoorbehoud naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 van het vonnis van 11 februari 2015). In dat verband heeft Schylge Beheer vooropgesteld dat er geen sprake is van een totstandkomingsvoorbehoud. Naar haar mening, die zij heeft gebaseerd op een passage uit het Gemeenteblad, bestaat er een overeenkomst tussen de Gemeente en Schylge Beheer, waarvan de werking eerst ingaat zodra de gemeenteraad haar instemming heeft gegeven. Volgens Schylge Beheer betreft het daarom een opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 6:22 BW Pro. Met een beroep op de redelijkheid en billijkheid en onder verwijzing naar artikel 6:23 BW Pro heeft zij betoogd dat het voorbehoud als vervuld heeft te gelden, omdat de Gemeente belang had bij de niet-vervulling van de voorwaarde en de vervulling daarvan heeft belet.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
dat de Gemeente, en meer in het bijzonder de gemeenteraad, slechts het vertrouwen kan wekken dat zij instemt met de (uitbreidings)plannen van Schylge Beheer, indien (i) de raad terzake (tijdens een raadsvergadering) een formeel besluit heeft genomen en (ii) een procedure tot vaststelling van een (herzien) bestemmingsplan voor dit gebied in gang is gezet. [27] Het onderdeel klaagt dat die aldus gelezen beslissing rechtens onjuist is. Daartoe wordt aangevoerd dat de gemeenteraad ook op andere wijze dan door het nemen van een formeel besluit gerechtvaardigd vertrouwen kan wekken. Daarnaast is daarvoor, anders dan het hof heeft overwogen, niet noodzakelijk dat de procedure tot vaststelling van een (herzien) bestemmingsplan in gang is gezet. De gemeenteraad kan immers ook daaraan voorafgaand het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat hij met een (uitbreidings)plan instemt. Daarmee perkt hij de bij het vaststellen van een dergelijk plan bestaande beleidsvrijheid bij voorbaat in, hetgeen rechtens mogelijk is. Aan het vorenstaande doet niet af dat de gemeenteraad de besluitvorming over de samenwerkingsovereenkomst kon afvoeren van de agenda van de vergadering van 22 oktober 2013 en opnieuw kon agenderen op 17 december 2013, aldus het onderdeel.
heeft ingestemdmet het eindresultaat, dan wel het
vertrouwenheeft gewekt dat hij met het eindresultaat
zou instemmen. Het hof is van oordeel dat het voor Schylge Beheer duidelijk moet zijn geweest dat het traject tot realisering van haar plannen zich nog bevond in de fase van informeren en afstemmen. Dit oordeel wordt door het hof gebaseerd op een aantal argumenten: (i) het feit dat de bijeenkomst in mei 2012 een besloten bijeenkomst betrof waar geen verslag van is opgemaakt en geen formele raadsvergadering, (ii) de brief van het college van 12 januari 2012, (iii) de gang van zaken na mei 2012, waarbij het college in brieven en e-mails telkens duidelijk heeft gemaakt eerst de samenwerkingsovereenkomst te willen sluiten na instemming van de gemeenteraad met de inhoud van de overeenkomst, en (iv) de verklaring van oud-burgemeester Visser waarin deze de bijeenkomst in mei 2012 aanduidt als ‘informatieavond’. Het hof heeft voor zijn oordeel aldus
medegewicht toegekend aan het louter informatieve karakter van de (besloten) bijeenkomst in mei 2012, hetgeen het hof vrijstond.
akkoord is gegaanmet de uitbreiding van haar hotel. Zijn oordeel dat Schylge Beheer die stelling niet voldoende heeft onderbouwd, baseert het hof op (i) het in rov. 5.8 aangegeven louter informatieve karakter van de bijeenkomst in mei 2012 en (ii) de omstandigheid dat de gemeenteraad zich op dat moment nog niet kon binden omdat nog geen procedure tot vaststelling van een (herzien) bestemmingsplan voor dit gebied in gang was gezet waarin andere belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen waarop de gemeenteraad acht dient te slaan. Dat het hof gewicht hecht aan deze omstandigheden is noch rechtens onjuist noch onbegrijpelijk.
slechtshet vertrouwen kan wekken dat hij instemt met de uitbreidingsplannen van Schylge Beheer indien hij terzake een formeel besluit heeft genomen tijdens een raadsvergadering.
enigerleihotel zou kunnen worden gevestigd, had moeten honoreren door (enigerlei) samenwerkingsovereenkomst over de uitbreiding van het hotel goed te keuren. Zij kon derhalve niet, althans niet zonder meer, in oktober/december 2013 plotseling besluiten in het geheel geen hotel van welke aard dan ook meer in de Dellewal toe te staan. In ieder geval heeft het hof geen inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom dat in de omstandigheden van het onderhavige geval anders is, aldus onderdeel 1.2.
ten eerstedat het hof althans in rov. 5.16 heeft miskend dat de Gemeente, mede gelet op de hiervoor in onderdeel 1.2 genoemde feiten en omstandigheden, door het wekken van (gerechtvaardigd) vertrouwen dat zij niet heeft gehonoreerd
onrechtmatigjegens Schylge Beheer heeft gehandeld en dat zij de schade die Schylge Beheer daardoor heeft geleden dient te vergoeden.
tweedeklacht valt, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof in rov. 5.16 (eerste volzin) heeft beslist dat Schylge Beheer haar standpunt in verband met het door haar gestelde onrechtmatige handelen van de Gemeente onvoldoende heeft onderbouwd, namelijk
enkel door te stellen dat zij schade heeft geleden.Daartoe wordt aangevoerd dat Schylge Beheer, mede gelet op de hiervoor in onderdeel 1.2 aangehaalde stellingen, aan de hand van andere feiten en omstandigheden dan het enkele geleden zijn van schade heeft onderbouwd waarom sprake is van onrechtmatig handelen van de Gemeente.
“Daarnaast”), heeft betoogd dat de gemeenteraad onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van art. 6:162 BW Pro al dan niet in combinatie met art. 3:14 BW Pro, en wel op de grond dat hij na 2 jaar plotseling besloot geen goedkeuring te verlenen aan de samenwerkingsovereenkomst zonder zich de belangen van Schylge Beheer aan te trekken. Dit betoog volgde aldaar direct op de – in het kader van grief 2 – ingenomen stelling dat bedoeld onzorgvuldig handelen meebrengt dat de Gemeente niet in redelijkheid een beroep kan doen op het niet vervuld zijn van de opschortende voorwaarde (MvG nr. 3.10). De niet glasheldere opzet van de memorie van grieven – waarbij op de pagina’s 10 en 11 onder het kopje “
3. Grief 2” het handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel
enin het kader van grief 2 wordt opgevoerd als argument om een beroep op de opschortende voorwaarde te ontzeggen (art. 6:23 BW Pro)
entegelijkertijd dient als grondslag voor de eerst in appel meer subsidiair ingestelde vordering uit onrechtmatige daad, zonder dat sprake is van een scherpe afbakening – heeft waarschijnlijk veroorzaakt dat het hof de onderbouwing van die laatste vordering uitsluitend in MvG nr. 3.14 heeft gelezen.
primaire klacht(procesinleiding p. 5) berust op de lezing dat het hof heeft beslist dat
dergelijke kosten niet op de voet van artikel 6:162 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen; zij luidt dat die beslissing rechtens onjuist is. Daartoe wordt aangevoerd dat, samengevat, het abrupt wijzigen van het standpunt van de gemeenteraad in oktober/december 2013 jegens Schylge Beheer onrechtmatig kan zijn indien de door Schylge Beheer gemaakte kosten niet worden vergoed.
subsidiaire klacht(p. 6) veronderstelt dat het hof heeft beslist dat van dergelijk onrechtmatig handelen in de omstandigheden van het onderhavige geval geen sprake is. Deze beslissing zou evenzeer rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd zijn.
niet een formele raadvergaderingwas. Deze vaststelling zou (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk zijn in het licht van de door het hof in rov. 3.4 geciteerde brief van 12 januari 2012 van het college aan Schylge Beheer, waarin is vermeld dat de presentatie door Schylge Beheer zou plaatsvinden in een “besloten raadsvergadering”.
totstandkomingsvoorbehouden niet als een
opschortende voorwaardein de zin van art. 6:22 BW Pro.
geensprake is van een totstandkomingsvoorbehoud,
nochvan een opschortende voorwaarde. [30] Pas in het kader van grief 2 (betreffende het beroep op het voorbehoud/de opschortende voorwaarde) heeft zij zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat sprake is van een opschortende voorwaarde, waartegenover de Gemeente zich, evenals in eerste aanleg, gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een totstandkomingsvoorbehoud. [31]
sluitenvan de samenwerkingsovereenkomst als de gemeenteraad akkoord zou gaan met de voorgestane ontwikkeling – is het oordeel van het hof dat er sprake is van een totstandkomingsvoorbehoud geenszins onjuist of onbegrijpelijk. Hieraan doet niet af dat in de door het onderdeel aangehaalde stukken wordt gesproken van ‘overeenstemming’, nu deze naar het kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof slechts ziet op de
tekstvan de samenwerkingsovereenkomst, waarvan het concept ter goedkeuring aan de raad zou worden voorgelegd.
onderdeel 2.2heeft het hof in rov. 5.11 miskend dat indien in cassatie uitgangspunt moet zijn dat sprake is van een totstandkomingsvoorbehoud als door het hof bedoeld, een beroep op dit totstandkomingsvoorbehoud naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Schylge Beheer heeft verschillende omstandigheden aangevoerd waarom het in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat de gemeente zich op het door haar gemaakte voorbehoud beroept (in welk verband Schylge Beheer zich in eerste aanleg op de artikelen 6:248 lid 2 en 6:23 BW en in hoger beroep op artikel 6:23 BW Pro heeft beroepen [32] ). Gelet op deze door Schylge Beheer aangevoerde omstandigheden, had het hof, zo nodig onder ambtshalve aanvulling van rechtsgronden als bedoeld in artikel 25 Rv Pro, moeten onderzoeken of het beroep op het totstandkomingsvoorbehoud door de gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien Schylge Beheer, zoals het hof heeft beslist, geen beroep kon doen op artikel 6:23 BW Pro.