Conclusie
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
het hof begrijpt: categorie BE) is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens overtreding van artikel 9 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 11 december 2013 een voertuig bestuurde terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder een besluit van het CBR en een onherroepelijke veroordeling tot rijontzegging.
De verdediging stelde dat niet bewezen kon worden dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was. De Hoge Raad concludeert dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het rijbewijs op de datum van het feit ongeldig was verklaard, noch dat de verdachte daarvan op de hoogte was. De enkele vermelding van de ingangsdatum van de rijontzegging in de Justitiële Documentatie en het feit dat het rijbewijs was ingevorderd, zijn onvoldoende om het vereiste bewijs van kennis aan te nemen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin hoge eisen worden gesteld aan het bewijs van het 'weten' of 'redelijkerwijs moeten weten' van de ongeldigverklaring. Zonder bewijs dat het besluit van het CBR de verdachte heeft bereikt, kan geen veroordeling worden gehandhaafd. De conclusie van de A-G leidt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing voor een nieuwe beslissing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onvoldoende bewijs dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.