Conclusie
[eiser] c.s.) houden het advocatenkantoor dat hen tussen 2008 en 2012 heeft bijgestaan (hierna:
[verweerster]), verantwoordelijk voor het gebrek aan voortgang bij de afwikkeling van die samenwerking. In feitelijke instanties zijn zij grotendeels in het ongelijk gesteld. In cassatie klagen zij in de kern dat het hof ten onrechte niet tot algehele ontbinding is overgegaan van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van juridische dienstverlening. Zij stellen dat het hof art. 6:265 lid 1 BW Pro onjuist heeft toegepast. [1]
TCH). [3] [eiser] is, per zelfder datum, met [betrokkene 1] de vennootschap onder firma Alpha Dental Medical Centre (hierna:
ADMC) aangegaan, die als enige activiteit had het leveren van tandtechnische benodigdheden aan TCH. [4]
te snelle manier”, die niet in hun belang zou zijn. [10] Zij dreigden toen tevens met een tuchtrechtelijke klacht, die daarna ook is ingediend. [11] [eiser] c.s. hebben zich in hun geschillen met [betrokkene 1] verder laten bijstaan door mr. A. Neophitou. [12] Dezelfde advocaat heeft hen in de onderhavige procedure tegen [verweerster] in feitelijke instanties en in de tuchtprocedure vertegenwoordigd. [13]
2.Procesverloop
tussenvonnis van 2 april 2014heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerster] op drie onderdelen van de haar opgedragen werkzaamheden een beroepsfout heeft gemaakt. [15] Ten aanzien van één ander verwijt heeft de rechtbank haar oordeel aangehouden. [16] Met betrekking tot de drie beroepsfouten en de ene mogelijke beroepsfout overweegt de rechtbank dat daaruit in elk geval geen schade voor [eiser] c.s. is voortgevloeid. [17] Zij heeft het beroep op verrekening om die reden verworpen. [18] Nu de conventionele vordering als zodanig niet was betwist, brengt het falen van het verrekeningsverweer de rechtbank tot een integrale en hoofdelijke toewijzing daarvan. Verder overweegt de rechtbank dat de tekortkomingen van [verweerster] de betalingsverplichting van [eiser] c.s. voor de geleverde diensten niet teniet doen gaan, nu zij zich niet op (partiële) ontbinding van hun overeenkomst met [verweerster] hebben beroepen. [19]
eindvonnis van 10 september 2014wees de rechtbank deze eiswijziging af wegens strijd met de goede procesorde nu het partijdebat in beginsel al was geëindigd. In dat vonnis komt de rechtbank verder tot het oordeel dat [verweerster] ook een vierde beroepsfout heeft gemaakt (zie rov. 2.6).
het hof).
arrest van 21 maart 2017dat aan [verweerster] niet vier maar twee beroepsfouten kunnen worden verweten: [21]
algehele ontbindingbestaat geen grond:
partiële ontbindingbestaat slechts grond terzake van het nalaten na verkregen verlof beslag te leggen op de maatschapsrekening van TCH. Het hof overweegt:
3.17. De subsidiaire vordering tot partiële ontbinding acht het hof toewijsbaar voor zover in het kader van de overeenkomst lot verlening van juridische bijstand [verweerster] de opdracht heeft aanvaard beslagverlof te vragen en beslag te leggen;
schadevergoedingwijst het hof af omdat deze fout niet tot schade heeft geleid (rov. 3.18.1).
3.19.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.”
iederetekortkoming in beginsel volstaat voor ontbinding; de slotzin (“tenzij …”) vormt een uitzondering op die regel. [24] Zoals bekend is dit uitgangspunt niet geheel onomstreden. Al weer enige tijd geleden heeft Bakels verdedigd dat eerst minder vergaande alternatieven moeten worden toegepast om een tekortkoming te redresseren. [25] Hartlief heeft verdedigd dat alleen een wezenlijke of fundamentele tekortkoming ontbinding kan rechtvaardigen. Onder andere Stolp spreekt in dat verband van subsidiariteit (Bakels) en proportionaliteit (Hartlief); zij ziet beide benaderingen als twee kanten van een zelfde medaille. [26] De Hoge Raad heeft echter vastgehouden aan genoemd wettelijk uitgangspunt. [27] Het antwoord op de vraag of uitoefening van de ontbindingsbevoegdheid niet gerechtvaardigd is moet daarom plaatsvinden aan de hand van de tenzij-bepaling aan het slot van art. 6:265 lid Pro 1. [28] Thans loopt een verzoek om een prejudiciële beslissing van de rechtbank Amsterdam of art. 6:265 lid 1 nog Pro steeds op die manier (“
letterlijk”) moet worden uitgelegd. [29]
route a)biedt de rechtspraak van de Hoge Raad geen steun. De beperking van de ontbindingsbevoegdheid van de schuldeiser door de tenzij-bepaling is gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid. [31] Daarnaast is voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro) ter afwering van een ontbinding slechts beperkt ruimte gelaten. [32] Ook
route b)is door de Hoge Raad niet gevolgd, zoals zojuist opgemerkt naar aanleiding van de benaderingen die Bakels respectievelijk Hartlief hebben verdedigd. Voor die route valt m.i. wel het nodige te zeggen. Het is namelijk logisch dat recht en remedie c.q. schending en sanctie in verhouding tot elkaar moeten staan. Wat logisch is, voelt doorgaans ook als billijk. Nederland zou met die benadering internationaal gezien eerder in de pas dan uit de pas gaan lopen. De tenzij-bepaling kan dan worden bewaard voor uitzonderlijke gevallen. De Hoge Raad lijkt daarentegen
route c)te hebben toegepast. De tekortkomende schuldenaar moet zich voldoende gemotiveerd beroepen op de tenzij-bepaling, [33] maar daarbij komt het volgens de Hoge Raad aan op
alle omstandigheden van het gevalwaaronder de aard van de overeenkomst, de aard van de tekortkoming, de gevolgen van de tekortkoming en de gevolgen van de ontbinding. [34] Ik leid daar uit af dat de tenzij-bepaling niet terughoudend moet worden toegepast. Daarmee zijn de scherpe kantjes van het wettelijk uitgangspunt af. De rechter heeft veel ruimte en beoordelingsvrijheid.
feitendie hij aan zijn beroep op de uitzondering ten grondslag legt. Of een tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen al dan niet rechtvaardigt, is in wezen een normatief oordeel dat geen bewijs behoeft. [35] Wanneer de schuldenaar gemotiveerd betwist dat hem een tekortkoming valt te verwijten zal in een dergelijk betoog in veel gevallen ook een beroep op de tenzij-bepaling besloten liggen, indien - ondanks het (primaire) verweer – door de rechter toch een tekortkoming wordt vastgesteld.
1. Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van de waarde op het tijdstip van ontvangst.
algehele ontbindingrechtvaardigen. In de kern genomen klaagt het onderdeel erover dat het hof heeft miskend dat een tekortkoming in de regel (integrale) ontbinding rechtvaardigt, en dat de uitzondering op die regel is dat de rechter een tekortkoming van zo weinig ernstige aard of betekenis kan vinden dat daarin aanleiding ligt een vordering tot algehele ontbinding af te wijzen. Dat is echter alleen mogelijk als de schuldenaar zich voldoende gemotiveerd op die uitzondering heeft beroepen. [verweerster] heeft dat volgens het onderdeel niet gedaan. Ook als [verweerster] zich wél voldoende gemotiveerd op de uitzondering zou hebben beroepen, had het hof de door [verweerster] daartoe aangevoerde stellingen niet als vaststaand mogen aannemen, zonder [eiser] c.s. in de gelegenheid te hebben gesteld daarop te reageren. [37]
subonderdeel 1.1.
subonderdelen 1.2 en 1.3kiezen voor een procesrechtelijke insteek: [verweerster] zou zich niet voldoende gemotiveerd op de uitzondering genoemd in de slotzin van art. 6:265 lid 1 BW Pro hebben beroepen en, voor zover wordt aangenomen dat zij dat wél heeft gedaan, had het hof de door [verweerster] daartoe aangevoerde stellingen niet als vaststaand mogen aannemen.
Subonderdeel 1.2faalt. Hoewel het door [eiser] c.s. gehanteerde uitgangspunt dat de schuldenaar zich gemotiveerd op de uitzondering in de tenzij-bepaling moet beroepen als zodanig juist is (zie onder 28), stel ik vast dat [verweerster] de door [eiser] c.s. aan haar gemaakte – en ten opzichte van de eerste aanleg deels nieuwe – verwijten, systematisch, uitvoerig en concreet heeft bestreden. [38] [verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zowel tegen de gevorderde ontbinding en de daarvan afgeleide ongedaanmakingsverbintenis, als tegen de feitelijke stellingen omtrent haar beweerdelijke nalatigheid die aan de vordering tot algehele ontbinding ten grondslag lagen. Zo is in de memorie van antwoord (onder 100-103) duidelijk te lezen dat [verweerster] zich erop beroept dat enige tekortkoming, afgezet tegen het geheel van verrichte werkzaamheden, van geringe betekenis is. In de daaropvolgende randnummers staan enkele voorbeelden aan de hand waarvan [verweerster] verduidelijkt dat enig tekortschieten van haar kant vanuit het grote geheel van de zaak bezien [eiser] c.s. niet heeft benadeeld. In dit betoog heeft het hof tevens een beroep op de tenzij-bepaling kunnen aantreffen en dus op basis van een uitleg van de gedingstukken kunnen aannemen dat [verweerster] op de tenzij-bepaling gemotiveerd beroep hebben gedaan.
subonderdeel 1.3faalt. Daarin beroepen [eiser] c.s. zich op rechtspraak van de Hoge Raad dat de appelrechter feitelijke stellingen die in een memorie van antwoord zijn gesteld niet als vaststaand mag aannemen, wanneer de wederpartij niet de gelegenheid heeft gehad die in een later genomen processtuk te weerspreken. [39] Ik merk op dat het subonderdeel geen betrekking heeft op feitelijke stellingen die [verweerster] in het kader van haar incidentele grieven heeft aangevoerd, omdat Artopolous c.s. daarop bij memorie van antwoord in incidenteel appel hebben gereageerd. Wat betreft hun principaal appel kan het beroep op genoemde rechtspraak Artopolous c.s. niet baten, alleen al omdat het subonderdeel niet aangeeft
welke feiten(i) door het hof als vaststaand zijn aangenomen en (ii) zijn ontleend aan de memorie van antwoord van [verweerster] . De klacht voldoet daarom niet aan de ex art. 407 lid 2 Rv Pro daaraan te stellen eisen. Voorts heeft het hof aan [eiser] c.s. niet tegengeworpen dat zij niet hebben gereageerd op een door [verweerster] bij memorie van antwoord voor het eerst ingenomen stelling. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Tot slot zie ik geen aanwijzingen dat de rechtsoverwegingen waarin het hof heeft gerespondeerd op de principale grieven, [40] (mede) zijn gebaseerd op
feitendie [verweerster]
voor het eerstin haar verweer tegen het principaal appel naar voren heeft gebracht.
partiëleontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht.
Subonderdeel 2.1betoogt ten aanzien van rov. 3.17 (partiële ontbinding) hetzelfde als subonderdeel 1.1 ten aanzien van rov. 3.16 (algehele ontbinding). [41] Ik verwijs daarom naar de bespreking hiervoor van dat subonderdeel.
Subonderdeel 2.2herhaalt allereerst subonderdeel 2.1 en richt zich daarnaast tegen de volgende overweging uit rov. 3.16: “
Hierbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat het arbitraal vonnis van 9 augustus 2010 (…) is vernietigd, niet een gevolg is geweest van een tekortkoming van de zijde van [verweerster].” Het subonderdeel betoogt dat het hof hiermee heeft miskend dat causaal verband tussen de tekortkomingen en de vernietiging van het arbitraal vonnis geen vereiste is, aangezien iedere tekortkoming ontbinding rechtvaardigt. Mocht het vereiste van causaal verband wél gelden, dan heeft het hof miskend dat in geval van meervoudige causaliteit de eerste veroorzaker ( [verweerster] ) tot schadeloosstelling verplicht is, aldus de klacht.
Subonderdeel 2.3bouwt hierop voort met een motiveringsklacht: ook als de vernietiging van het arbitraal vonnis niet het gevolg is geweest van een tekortkoming van de zijde van [verweerster] , valt niet in te zien dat de verleende rechtsbijstand om die reden niet (grotendeels) waardeloos was. Volgens
subonderdeel 2.4is laatstgenoemd oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat het niet is gemotiveerd.
Subonderdeel 2.5vat voorgaande onderdelen samen.
Subonderdeel 3.1betoogt dat het hof, door in rov. 3.17 te oordelen dat de beroepsfout met betrekking tot de kwestie [betrokkene 3] zelfs geen partiële ontbinding rechtvaardigt, een verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Mede uit rov. 3.19 zou blijken dat het hof als maatstaf voor ontbinding heeft aangelegd “
dat en of er schade is geleden.”
criteriumaangelegd, maar als redengevend aangemerkt het feit dat deze beroepsfout niet van enige betekenis is geweest voor het verdere verloop van de arbitrale procedure en de vernietiging van het arbitraal vonnis (rov. 3.17). Bij die stand van zaken acht ik geenszins onbegrijpelijk het oordeel dat de tekortkoming niet tot (aan [verweerster] toerekenbare) schade voor [eiser] c.s. heeft geleid (rov. 3.19.3).
subonderdeel 3.2, omdat dit eveneens rust op de onjuiste veronderstelling dat het hof het ontbreken van schade als (onderdeel van de) maatstaf heeft gehanteerd bij het beantwoorden van de vraag of de tekortkomingen partiële ontbinding rechtvaardigen.
subonderdelen 3.3 en 3.4. Beide subonderdelen gaan eraan voorbij dat het hof – anders dan de subonderdelen veronderstellen – wel degelijk vermeldt (in rov. 3.17) waarom partiële ontbinding van de overeenkomst wegens de tekortkoming in de kwestie [betrokkene 3] niet op haar plaats is.
Subonderdeel 4.1richt zich tegen de rov. 3.17 en 3.19.3 en betoogt dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de procedure op dezelfde wijze zou zijn voortgezet als thans feitelijk het geval is geweest, als [verweerster] niet de beroepsfout in de kwestie [betrokkene 3] zou hebben gemaakt. Het hof zou aldus hebben miskend dat, ingeval van meervoudige causaliteit, de eerste veroorzaker tot schadeloosstelling verplicht is. [43]
Subonderdeel 4.2gaat uit van dezelfde rechtsopvatting als subonderdeel 4.1 en deelt daarom het lot daarvan. Ook de motiveringsklacht faalt: de grond voor wraking van de arbiters was dat zij de inhoud van hun concept-beslissing vóór de datum van uitspraak hadden gedeeld met onder andere de advocaat van [betrokkene 1] en zij niet de uitkomst van de wrakingsprocedure hebben afgewacht. De wraking leverde tevens de vernietigingsgrond op dat het scheidsgerecht niet juist was samengesteld. [46] De grond voor de vernietiging van het arbitraal vonnis is dus niet het nalaten van [verweerster] om, toen zij bij de arbiters bezwaren uitte tegen de benoeming van [betrokkene 3] als deskundige, dit bezwaar te ondersteunen met de vermelding van de zakelijke contacten tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3].
subonderdelen 4.2 en 4.3wordt betoogd, heeft het hof wel degelijk zijn oordeel gemotiveerd: zowel in rov. 3.17, door aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank, als in rov. 3.19, door hier zelf nog enige overwegingen aan toe te voegen. Het oordeel van het hof is zeker niet onbegrijpelijk.
Subonderdeel 4.4betoogt dat het hof in rov. 3.19.3 de nodeloos gemaakte kosten voor [betrokkene 3] sowieso als schade had moeten aanmerken. Dat betoog ziet eraan voorbij dat de vraag naar de aanwezigheid van schade als gezegd moet worden beantwoord op grond van een vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie waarin de tekortkoming wordt weggedacht. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat in die hypothetische situatie minder kosten voor de deskundige zouden zijn gemaakt dan er in werkelijkheid zijn gemaakt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende gemotiveerd.
subonderdeel 4.5, nu daarin opnieuw wordt geklaagd – zo begrijp ik het subonderdeel althans - dat ondanks ontbrekende stellingen van [verweerster] het hof zou hebben geoordeeld dat er toch vanuit moest worden gegaan dat bij een vervangende deskundige de kosten niet lager zouden zijn uitgevallen.
Subonderdeel 4.6herhaalt de klacht uit subonderdeel 4.1 dat het hof zou hebben miskend dat in geval van meervoudige causaliteit de eerste veroorzaker tot schadeloosstelling verplicht is. Ik verwijs naar punt 49 hiervoor.