ECLI:NL:PHR:2018:480
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wegens juridisch vaderschap naar Ghanees recht
Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker is voor de derde maal aan de Hoge Raad voorgelegd. Eerder vernietigde de Hoge Raad een beschikking van de rechtbank en verwees de zaak naar het hof, dat de eerdere beslissing van de rechtbank bekrachtigde. Het cassatieberoep werd in 2015 verworpen. In een nieuw verzoek stelde verzoeker dat hij niet door betrokkene 1 was erkend en dat betrokkene 2, die de Nederlandse nationaliteit bezit, hem rechtsgeldig had erkend. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de omstandigheden die in eerdere procedures waren vastgesteld, waaronder de vermelding van betrokkene 1 als vader in de geboorteakte en de verklaring van de moeder, nog steeds voldoende waren om het juridisch vaderschap van betrokkene 1 naar Ghanees recht aan te nemen.
Verzoeker voerde in cassatie aan dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de feiten en het Ghanees recht, en stelde dat de erkenning door betrokkene 1 niet rechtsgeldig was. Ook werd gesteld dat toepassing van Ghanees recht in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden omdat het hof reeds had vastgesteld dat de feiten en omstandigheden voldoende aanwijzingen zijn voor het juridisch vaderschap volgens Ghanees recht. De nieuwe verklaringen van verzoeker veranderden hier niets aan.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarmee blijft de eerdere beslissing in stand dat het juridisch vaderschap van betrokkene 1 naar Ghanees recht bestaat en wordt het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen.