Conclusie
Haviltex-maatstaf had moeten toepassen en daarbij alle door [eiseres] aangevoerde concrete omstandigheden had moeten betrekken (onderdeel I.4).
1.Feiten en procesverloop
promissory note 1 [2] ) heeft [A] als schuldenaar verklaard aan [verweerder] als schuldeiser ‘
for value received’ een bedrag van € 1.000.000,- verschuldigd te zijn, te betalen binnen een periode van zes maanden tegen een rente van 12% per jaar. In de promissory note is onder meer nog opgenomen: "
This note shall be valid only upon proof of the deposit by Creditor to the account of [B] B.V. (...) of the sum represented hereby at any time between October 15, 2002 and October 22, 2002. Interest shall commence to accrue hereunder on the date of such deposit."
promissory note 2 [3] ) heeft [B] BV verklaard aan [verweerder] 'for value received' een bedrag verschuldigd te zijn van $ 300.000,-, te betalen binnen een periode van tien jaar tegen een rente van 5% per jaar.
"akte van geldlening met verlening van pandrecht", hierna ook:
de akte van geldlening [4] ), ondertekend op 4 november 2002, inhoudende dat [verweerder] aan [betrokkene 1] en [A] een bedrag leent van € 1.000.000,- tegen een rente van 12% per jaar en [eiseres] aan [verweerder] een pandrecht verstrekt. In deze - door de toenmalige raadsman van [verweerder] opgestelde - akte van geldlening zijn partijen onder meer overeengekomen:
De pandgever verklaart bij deze gerechtigd te zijn tot de eigendom van en bevoegd te zijn tot de verpanding van het hiervoor genoemde melkquotum, dat op die goederen geen beperkte rechten van derden rusten en dat het bij deze overeenkomst gevestigde pandrecht eerste in rang zal zijn."
De pandgever is niet bevoegd de goederen, waarop het pandrecht rust, te vervreemden of te herverpanden zonder inachtneming van het aan de pandhouder toekomende pandrecht."
overeenkomst van overdracht [5] ). In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
In aanmerking nemende:
Dat ondergetekende sub I [ [verweerder] ] heeft geleend aan ondergetekende sub 2 [ [betrokkene 1] ] een bedrag van € 1.000.000,- tegen een rente van 12% per jaar en een bedrag van $ 300.000,- tegen een rente van 5% per jaar.
Dat ondergetekende sub 2 nu overdraagt aan Antwerp Dairy Leasing LLC een melkveebedrijf gelegen te Antwerp, Ohio waarvoor Antwerp Dairy Leasing LLC dient te beschikken over een eigen vermogen van$ 1.650.000,-.
Dat de eigenaar van Antwerp Dairy Leasing LLC zal zijn ondergetekende sub 1.
Voornoemd bedrag van € 1.000.000,- en $ 300.000,- zullen worden aangewend voor de betaling van het bedrijf door ondergetekende sub 1 aan ondergetekende sub 2.
Voor het tekort zal ondergetekende sub 2 een geldlening verstrekken aan ondergetekende sub 1.
Voornoemd melkveebedrijf zal worden uitgeleased aan [C] LLC te Antwerp, Ohio.
Ondergetekende sub 2 blijft garant staan voor het feit dat het rendement op het eigen vermogen van ondergetekende sub 1 minimaal gelijk blijft aan de 12% over € 1.000.000,- en 5% over $ 300.000,-.
Indien ondergetekende sub 1 zijn vermogen weer liquide wil maken zal ondergetekende sub 1 dit mededelen aan ondergetekende sub 2 met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden.
Ondergetekende sub 2 zal dan de boerderij door verkopen aan een derde of zelf terugkopen zodra het bedrag vrij valt.
Het rendement voor Antwerp Dairy Leasing LLC zal hoger zijn dan genoemde rente percentages maar het meerdere zal niet tussentijds worden uitgekeerd om een eventueel koersverlies af te dekken. (…)”
investeringsovereenkomst [6] ). In deze overeenkomst, die partijen zelf zonder tussenkomst van een advocaat hebben opgesteld en waarbij zij de akte van geldlening van 24 oktober 2002 als model hebben gebruikt, zijn partijen overeengekomen dat [verweerder] ten titel van investering aan [A] een bedrag van € 500.000,- ter beschikking stelt tegen een rente van 12% per jaar, te storten op de bankrekening van [A] . In artikel 7 zijn Pro partijen overeengekomen:
Tot zekerheid voor de richtige nakoming door [A] van de betalingsverplichtingen uit hoofde van voormelde schuld aan de investeerder, alsmede tot zekerheid voor al hetgeen [A] terzake van huidige of toekomstige vorderingen aan de investeerder verschuldigd is of zal worden, te vermeerderen met kosten en rente tezamen begroot op 30% van de hoofdsom, staat [A] en [betrokkene 1] in privé garant dat investeerder in eigendom zal krijgen voor een gedeelte gelijk aan zijn investering een melkveebedrijf wat wordt uitgeleasd aan een melkveehouder. Het rendement zal hoger zijn dan 12% maar [A] en [betrokkene 1] staan er voor in dat het minimaal 12% zal zijn.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel I.1), (ii) dat het hof buiten het partijdebat is getreden voor zover het heeft geoordeeld dat het pandrecht ook is gevestigd ten behoeve van toekomstige vorderingen (
onderdeel I.2), (iii) dat het hof ambtshalve de feiten heeft aangevuld door te oordelen dat van afstand van het pandrecht door [verweerder] geen sprake is (
onderdeel I.3) en (iv) dat het hof bij de uitleg van de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [verweerder] de
Haviltex-maatstaf had moeten toepassen en daarbij alle aangevoerde concrete omstandigheden had moeten betrekken (
onderdeel I.4).
nietwerd bijgestaan door een (juridisch) adviseur, was in de hem voorgelegde akte van 24 oktober 2002 vastgesteld hetgeen tussen hem en [verweerder] afgesproken was.
Pandrecht en de beëindigingsmogelijkheden
alsmede tot zekerheid voor alle huidige en toekomstige vorderingenvan [verweerder] op [betrokkene 1] en [A] , een zekerheidsrecht [..] verstrekt in de vorm van een eerste pandrecht op het melkquotum dat in eigendom toebehoorde aan [eiseres] (…).
voor huidige en toekomstige vorderingen op [betrokkene 1], niet zou zien op deze overeenkomst van 30 maart 2004. Onder het kopje “Pandrecht niet vervallen” voert hij het volgende aan:
nietovereengekomen dat dit pandrecht zou komen te vervallen in geval aan [verweerder] een boerderij zou worden overgedragen. Zou de versie van [eiseres] en [betrokkene 1] juist zijn dat slechts een tijdelijk pandrecht zou zijn overeengekomen tot levering van een boerderij – quod certe non – dan was dit wel in de akte van 24 oktober 2002 of in die van 24 december 2003 opgenomen geweest. Het feit dat dit niet gebeurd is vormt eens te meer een aanwijzing dat de stellingen van [eiseres] en [betrokkene 1] niet juist zijn en overigens ook niet valide zijn. Immers zelfs na de levering van de boerderij hield [verweerder] – afgezien van de lening van € 1.000.000 met rente van 24 oktober 2002 en die van € 500.000 – hoe dan ook vorderingen op [betrokkene 1] die zich immers in de overeenkomst tot herinvestering van 24 december 2004 [21] garant had gesteld voor het rendement en het op verzoek van [verweerder] weer liquide maken van het ter beschikking gestelde vermogen. Voorts hebben [betrokkene 1] en [A] nog tot in 2009 rente met verwijzing naar de overeenkomst van 24 oktober 2002 betaald. De stelling van Vrebamelk dat met de overdracht van de boerderij de financieringsrelatie tussen partijen zou zijn afgewikkeld en dat daarmee het pandrecht zou zijn komen te vervallen, is apert onjuist.
na2002 zelf opgemaakte stukken wordt noch [eiseres] genoemd noch haar melkquotum. Dat quotum was dan ook niet bedoeld als zekerheid voor enige (terug)betalingsverplichting uit overeenkomsten van
na2002.”
vorderingtot nakoming van de akte van geldlening niet langer bestaat en, daaruit voortvloeiend, dat het tot zekerheid daarvan gevestigde pandrecht
tenietis gegaan. Volgens [eiseres] heeft het hof miskend dat niet art. 3:258 lid 2 BW Pro (afstand van het pandrecht) hier ter zake doende is, maar juist de manier waarop een beperkt zekerheidsrecht in zijn algemeenheid tenietgaat (op grond van art. 3:7 BW Pro), hetgeen het hof desnoods ook ambtshalve aanvullend had moeten toepassen.
Onderdeel I.1faalt daarom.
subonderdeel I.2.1.
subonderdeel I.2.2. Een uitzondering op deze regel is hier volgens [eiseres] niet aan de orde.
voor alle huidige en toekomstige vorderingenvan [verweerder] op [betrokkene 1] en [A] (memorie van grieven onder 75). Bij het aanvoeren van grief V – die zich richt tegen het oordeel van de rechtbank betreffende het pandrecht – verwijst [verweerder] naar dit juridisch kader en acht hij dat bij grief V herhaald en ingelast (onder 117). Uit het bij grief V aangevoerde (dat geen van de drie mogelijke wijzen van verval van het pandrecht – waaronder het tenietgaan van de gesecureerde vordering – zich hier heeft voorgedaan) volgt eveneens dat [verweerder] betoogt dat het pandrecht nog steeds van kracht is en ook geldt voor de
nahet overeenkomen van de akte van geldlening ontstane vorderingen tussen [verweerder] en [betrokkene 1] dan wel [A] .
toekomstigevorderingen die [verweerder] heeft op [betrokkene 1] dan wel [A] wordt vervolgens door hem herhaald in zijn memorie van antwoord in voorwaardelijk incident (onder 61) en in zijn pleitnotities in appel (onder 37, 48 , 57 en 62).
onderdeel I.2. falen.
verweer van [eiseres]– die immers volgens ’s hofs vaststelling betoogt dat het pandrecht door de latere overeenkomsten is ingehaald (rov. 3.7.1) – dat het pandrecht is tenietgegaan door middel van afstand, welke aanwijzingen bij nader inzien in die overeenkomsten niet worden aangetroffen. Anders dan het middel veronderstelt, verschaft het hof derhalve geen feitelijke grondslag voor de
betwisting door [verweerder]van het afstandsverweer van [eiseres] .
Haviltex-criterium [29] , waarbij alle omstandigheden van het concrete geval van beslissende betekenis zijn, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In het bijzonder zou het hof hierbij hebben miskend dat bij die uitleg niet alleen bepalend is of [verweerder] toestemming heeft willen geven tot beëindiging van het pandrecht, maar ook of [eiseres] bij het vestigen van het pandrecht heeft bedoeld om het pandrecht ook na het vervallen van de akte van geldlening voort te laten bestaan.
subonderdeel I.4.1) als in hoger beroep [31] (
subonderdeel I.4.2) de bedoeling van de partijen bij het aangaan van het pandrecht in de akte van geldlening duidelijk heeft verwoord. Zij heeft naar eigen zeggen – samengevat – gesteld dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat het pandrecht na het aangaan van de overeenkomst tot overdracht zou blijven voortbestaan, nu dat pandrecht uitsluitend bedoeld was om [verweerder] zekerheid te geven voor de correcte nakoming van de door hem aan [betrokkene 1] verstrekte geldlening, en die zekerheid niet meer nodig was op het moment dat [verweerder] zijn boerderij in eigendom verkreeg. Zij zou voorts hebben aangevoerd dat deze bedoeling ook volgt uit de tekst van de overeenkomst van overdracht, waarin zou zijn bepaald dat de verschuldigde koopsom voor de boerderij werd
verrekendmet de vordering uit hoofde van de twee geldleningen, waardoor sprake zou zijn van een afsluiting van de financiële relatie tussen [betrokkene 1] en [verweerder] ‘met gesloten beurzen’ en beëindiging van het pandrecht. Ten slotte zou zij hebben aangevoerd dat het pandrecht evenmin bedoeld was voor de investeringsovereenkomst, te meer nu [betrokkene 1] daarvoor privé garant stond.
Haviltex-maatstaf had moeten toepassen bij de uitleg van de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [verweerder] , en daarbij de in subonderdeel I.4.1 en I.4.2 genoemde – door [eiseres] aangevoerde – concrete omstandigheden van het geval had moeten betrekken, zo volgt uit
subonderdeel I.4.3. Door dat – ongemotiveerd – na te laten heeft het hof dit miskend en een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus [eiseres] .
bedoelingvan partijen – [eiseres] als pandgever en [verweerder] als pandhouder – ten tijde van het
vestigenvan het pandrecht het pandrecht
tijdelijkzou zijn (zie ook schriftelijke repliek zijdens [eiseres] onder 5).
rechtswegetot een einde komt, ligt in het oordeel van het hof in rov. 3.7.2 besloten dat het hof een dergelijke wijze van eindigen hier niet aan de orde (“niet ter zake doende”) acht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. [eiseres] heeft haar stellingen omtrent de beweerdelijke ‘tijdelijkheid’ van het pandrecht niet onderbouwd of gekwalificeerd; zij heeft daaraan met name niet de gevolgtrekking verbonden dat naar de bedoeling van partijen het pandrecht als zodanig is gevestigd voor een
bepaalde tijdof onder een
ontbindende voorwaarde(vgl. art. 3:81 lid Pro 2, aanhef en sub b, BW). In tegendeel, zij heeft de ‘tijdelijkheid’ van de zekerheid ook wel in verband gebracht met de uitleg van de passage “terzake van de huidige of toekomstige vorderingen”, derhalve met de vraag tot zekerheid van welke vorderingen het pandrecht strekt. [33] Díe vraag heeft het hof beantwoord in de hiervoor onder 2.19-2.22 besproken zin. Het hof heeft in de stellingen van [eiseres] kennelijk niet tevens een beroep op een beoogd tijdelijk pandrecht in goederenrechtelijke zin gelezen. Dat aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel is niet onbegrijpelijk.
onderdeel I.4af.